Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0961

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
07-1368 WWB + 07-1370 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding vermogengrens na erfenis. Interingsnorm. Interingssystematiek.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 19
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/204
JWWB 2008, 198

Uitspraak

07/1368 WWB

07/1370 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te Maarssen

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 januari 2007, 06/2242 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.G. Pleiter, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pleiter. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Pleiter. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Streppel, werkzaam bij de gemeente Maarssen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvangen vanaf 1992 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 21 april 2005 is het vermogen waarover appellanten beschikten opnieuw vastgesteld en bepaald op een bedrag van € 5.208,99. Aangezien de grens voor het vrij te laten vermogen op die datum € 10.210,-- bedroeg, is appellanten tevens meegedeeld dat zij tijdens de bijstand nog een bedrag aan vermogen mogen opbouwen van € 5.001,01. Tegen deze vaststelling hebben appellanten geen bezwaar gemaakt.

Op 22 maart 2005 is de moeder van appellant overleden en op 1 december 2005 kreeg appellant uit de nalatenschap de beschikking over een bedrag van € 7.186,--. Appellant heeft het College hiervan op de hoogte gesteld.

Het College heeft in een en ander aanleiding gezien om bij besluit van 6 februari 2006 de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2006 tot 4 februari 2006 in te trekken. Het College heeft daarbij overwogen dat het vermogen in verband met het ontvangen van de erfenis op die datum € 12.394,99 bedraagt. Uitgaande van een vrij te laten vermogen op 1 januari 2006 van € 10.360,-- is sprake van een overschrijding van de vermogensgrens met een bedrag van € 2.034,99. Het College heeft vervolgens bij de berekening van de periode waarover geen aanspraak op bijstand bestaat dit bedrag afgezet tegen de door het College gehanteerde interingsnorm, te weten 1,5 maal de voor appellanten geldende bijstandsnorm (inclusief vakantiegeld). Hiervan uitgaande bedraagt de interingsperiode 1 maand en 3 dagen.

Bij besluit van 19 april 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 19 april 2006 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben daarbij onder meer aangevoerd dat zij op 1 januari 2006 feitelijk het gehele bedrag van € 5.208,99 hadden aangewend en ook al een deel van de ontvangen erfenis, zodat op die datum geen sprake meer was van overschrijding van de vermogensgrens.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het College om praktische redenen er niet voor heeft gekozen om met toepassing van artikel 58, eerste lid, onder f, ten eerste, van de WWB over te gaan tot terugvordering van de bijstand maar om appellanten gedurende een zekere periode uit te sluiten van bijstand door middel van het interen van het vermogen. Uit de gedingstukken komt naar voren dat het College hierbij van belang heeft geacht dat appellanten ten tijde van de ontvangst van de erfenis feitelijk niet meer beschikten over het eerder vastgestelde vermogen van € 5.209,99 alsmede dat het hier gaat om een geringe overschrijding van de vermogensgrens.

Hiervan uitgaande overweegt de Raad het volgende.

De in artikel 34 van de WWB neergelegde systematiek van vermogensvaststelling, de zogeheten staffelmethode, heeft tot gevolg dat indien sprake is van tijdens de bijstandsverlening ontvangen vermogensbestandddelen naar aanleiding waarvan het vermogen opnieuw dient te worden vastgesteld, daarbij uitgegaan dient te worden van het verschil tussen de op het moment van de vermogenstoeval toepasselijke vermogensgrens en het eerdere vastgestelde bedrag van het vermogen.

Rekening houdend met het eerder vastgestelde bedrag van het vermogen van € 5.209,99, de ontvangst op 1 december 2005 van een bedrag van € 7.186,-- en het feit dat per die datum van negatieve vermogensbestanddelen niet is gebleken, betekent dit dat op 1 december 2005 sprake was van vermogen boven de voor appellanten op dat moment geldende vermogensgrens, zijnde € 10.210,--. Om die reden hadden appellanten op die datum geen recht meer op algemene bijstand.

Appellanten hebben nog verwezen naar een brief van 1 maart 2006 van een bij de gemeente Maarssen werkzame inkomensconsulent. In deze brief wordt uitgegaan van de interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm in het geval van beëindiging van bijstand in verband met vermogensoverschrijding. Daarnaast is in die brief sprake van een interingsnorm van 0,5 waarbij een verband wordt gelegd met interen op het vermogen tijdens de bijstandverlening. Reeds op grond van de gebruikte bewoordingen in die brief (“Het meest logische lijkt….”) is de Raad van oordeel dat appellanten aan deze brief niet een in rechte te honoreren toezegging kunnen ontlenen, inhoudende dat op er op 1 december 2005 geen sprake was van in aanmerking te nemen vermogen.

Gelet op het vorenstaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB de bijstand van appellanten met ingang van 1 december 2005 in te trekken. Intrekking van de bijstand vanaf 1 januari 2006, waartoe het College heeft besloten, berust dan ook op een onjuiste feitelijke grondslag.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 19 april 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

Het College zal opnieuw op het bezwaar van appellanten dienen te beslissen.

Met het oog daarop overweegt de Raad het volgende.

De door het College gehanteerde interingssystematiek leidt ertoe dat appellanten gedurende iets meer dan 30 dagen geen recht hadden op bijstand.

In het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 45, derde lid, van die wet ligt besloten dat in het geval dat de bijstandsverlening gedurende ten minste 30 dagen is onderbroken of had kunnen worden onderbroken de bijstandbehoevendheid van een belanghebbende na afloop van die periode opnieuw kan worden aangenomen, indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en de vaststelling van het dan feitelijk beschikbare vermogen meebrengt dat er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Het College zal in het kader van de heroverweging van het primaire besluit van 6 februari 2006 dan ook dienen te onderzoeken wat op de datum met ingang waarvan er weer recht op bijstand bestaat het feitelijk beschikbare vermogen en, afgezet tegen de op appellanten toepasselijke vermogensgrens, de resterende vrije vermogensruimte is voor appellanten.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 april 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Maarssen;

Bepaalt dat de gemeente Maarssen aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Alternaar.

AR070408