Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06/6622 AW, 07/1436 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. Samenstelling waarderingscommissie naar strekking Procedureregeling? Fundamenteel gebrek in voorbereiding bestreden waardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6622 AW en 07/1436 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 oktober 2006, 05/4272 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] (hierna: college)

Datum uitspraak: 17 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 16 februari 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Hoekstra, werkzaam bij ABVAKABO. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Noordermeer, werkzaam bij Leeuwendaal advies b.v. en mr. G.W. Toebes, werkzaam bij de gemeente [naam gemeente].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het college heeft bij besluit van 2 april 2002 de door appellant uitgeoefende functie van beleidsmedewerker Ruimtelijke Ontwikkeling gewaardeerd op 445 punten en ingeschaald in salarisschaal 9. Het bezwaar van appellant tegen de waardering van zijn functie is bij het bestreden besluit van 17 mei 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen, kort samengevat, op de grond dat het college de score op het kenmerk communicatie onvoldoende heeft gemotiveerd. Tevens zijn bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten gegeven.

3. In hoger beroep heeft appellant onder meer de overweging van de rechtbank betwist dat met de samenstelling van de waarderingscommissie is gehandeld naar de strekking van de Procedureregeling Methodische Functiewaardering 1997 zoals deze op 7 oktober 1997 is vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente [naam gemeente] (hierna: Procedureregeling).

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil, en de Raad sluit zich daarbij aan, dat op de waardering van de functie van appellant van toepassing is de Procedureregeling. Ingevolge artikel 5 van de Procedureregeling stelt de waarderingscommissie een waarderingsadvies op voor burgemeester en wethouders. De waarderingscommissie bestaat ingevolge artikel 4 van de Procedureregeling uit de gemeentesecretaris/directeur,

een tweetal door de personeelsdelegatie van de commissie voor georganiseerd overleg aan te wijzen leden, het afdelingshoofd en het hoofd van de afdeling personeel en organisatie. Blijkens artikel 1 van de Procedureregeling wordt onder afdelingshoofd verstaan het hoofd van de afdeling waartoe de te beschrijven en/of te waarderen functie behoort.

4.2. Tevens staat vast dat het afdelingshoofd van de afdeling waar appellant werkzaam was geen deel heeft uitgemaakt van de waarderingscommissie die over de waardering van de functie van appellant advies heeft uitgebracht. Dit afdelingshoofd is slechts door de waarderingscommissie gehoord.

4.3. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat, voorzover al sprake zou zijn van het niet geheel consistent zijn van de tekst van de Procedureregeling en de toelichting op die regeling, de tekst van de Procedureregeling duidelijk is. De toelichting op de Procedureregeling kan aan die duidelijke tekst geen afbreuk doen. Er is hier sprake van een fundamenteel gebrek in de voorbereiding van de bestreden waardering. Dit klemt des te meer omdat het afdelingshoofd zich sterk heeft gemaakt voor het hanteren van niet twee maar drie jaar praktische vorming, zoals ook door appellant bepleit. Tevens doet zich hier de situatie voor dat de functiebeschrijving van een dermate abstract niveau is dat bij de functiewaardering niet alleen een inhoudelijke toelichting van het afdelingshoofd niet gemist kan worden, maar ook de mogelijkheid voor het afdelingshoofd om mee te doen aan de beraadslaging over de functiewaardering van groot belang moet worden geacht.

4.4. Het door de Raad geconstateerde gebrek is bij het bestreden besluit niet hersteld, zodat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en door de rechtbank, zij het op andere gronden, terecht is vernietigd.

4.5. Het hiervóór overwogene brengt met zich dat aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 16 februari 2007, dat de Raad op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding mede beoordeelt, hetzelfde zorgvuldigheidsgebrek kleeft, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

4.6. Het ligt in de rede dat het college, alvorens een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant, de zaak eerst voor advies voorlegt aan een in overeenstemming met de voorschriften samengestelde waarderingscommissie. Vervolgens dient appellant in de gelegenheid te worden gesteld op het advies van deze commissie te reageren.

5. De Raad acht termen aanwezig om het college te veroordelen tot betaling van appellants proceskosten in hoger beroep ten bedrage van € 805,- aan kosten van rechtskundige bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 16 februari 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 februari 2007;

Draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 805,-, te betalen door de gemeente [naam gemeente];

Bepaalt dat de gemeente [naam gemeente] aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 211,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD