Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-2629 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en intrekking WAO-uitkering. Pijnklachten onderschat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2629 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 april 2006, 05/1849 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 14 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. M.A. Misker, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2008. Appellante is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen drs. C.L. Schuren.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 23 mei 2005, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – heeft gehandhaafd zijn besluit om de aan appellante toegekende WAO-uitkering, die voordien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, te herzien en met ingang van 16 december 2004 te berekenen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% en bovendien heeft besloten de uitkering per 23 juni 2005 in te trekken vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Voor een overzicht van de aan het besluit van 23 mei 2005 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard onder overweging – kort samengevat – dat de medische informatie afkomstig van de behandelaars van appellante in de verzekeringsgeneeskundige beoordeling is betrokken en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de mogelijkheden van appellante om de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde functies te verrichten.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar beperkingen zijn onderschat. Verder heeft appellante aangevoerd dat niet inzichtelijk is gemaakt waarom zij geacht wordt de geselecteerde functies te kunnen vervullen.

De Raad overweegt als volgt.

In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de – in hoger beroep herhaalde en niet met nadere medische stukken onderbouwde – stelling dat de beperkingen van appellante zijn onderschat, in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grief niet kan slagen.

Daarbij merkt de Raad op dat ook als appellante wordt gevolgd in haar stelling dat de verwijzing naar de pijnpsycholoog was bedoeld om haar te leren omgaan met de pijn en niet moet worden opgevat als een bevestiging voor de psychogene oorzaak van haar klachten, er geen aanleiding is om aan te nemen dat de beperkingen van appellante zijn onderschat.

De Raad is voorts, met de rechtbank, van oordeel dat in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof van 13 april 2005 en 17 mei 2005 op duidelijke wijze puntsgewijs is weergegeven waarom de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn.

Het is de Raad, uitgaande van de op 29 september 2004 vastgestelde ‘Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst’, niet kunnen blijken dat appellante op de data in geding, 16 december 2004 en 23 juni 2005, niet in staat kon worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen, hetgeen heeft geresulteerd in een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% respectievelijk minder dan 15%.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2008.

(get.) J. Brand.

(get.) M. van der Vos.

TM