Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0940

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
07-1844 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene is terecht niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar. Rechtbank heeft het besluit bij de aangevallen uitspraak terecht in stand gelaten. De Raad kan niet ingaan op hetgeen betrokkene verder naar voren heeft gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1844 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 februari 2007, 06/1984 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Skarsterlân (hierna: college)

Datum uitspraak: 17 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008, waar appellant in persoon is verschenen. Het college heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak alsmede naar de inmiddels vele uitspraken van de Raad in gedingen tussen appellant en het college. Op grond van die uitspraken staat onder meer in rechte vast dat appellant met ingang van 1 januari 1990 is ontslagen als docent-directeur van een streekmuziekschool, dat hij vanaf die datum geen aanspraak meer kan maken op uitbetaling van salaris en vakantiegeld en dat het college, naast toekenning van wachtgeld, evenmin gehouden is appellant op andere wijze te compenseren voor het door hem sedert 1 januari 1990 geleden inkomensverlies.

2.1. Bij brief van 7 februari 2006 heeft appellant het college opnieuw gevraagd om uitbetaling van zijn salaris en vakantiegeld vanaf 1 januari 1990. Het college heeft bij brief van 16 februari 2006 aan appellant bericht die brief te hebben doorgezonden naar de Raad met het verzoek die te betrekken bij de bij de Raad tussen partijen aanhangige beroepszaak met het procedurenummer 06/211 AW. Bij brief van 4 april 2006 heeft het college appellant bericht ook zijn brief van 23 maart 2006, waarin appellant opnieuw aandringt op het nemen van een besluit op zijn verzoek van 7 februari 2006, te hebben doorgezonden naar de Raad.

2.2. Op 6 juni 2006 heeft appellant een (als) bezwaarschrift (aan te merken beroepschrift) ingediend tegen de (kennelijke) weigering van het college om een beslissing te nemen op zijn verzoek. Bij het thans in hoger beroep aan de orde zijnde, op 6 september 2006 verzonden, besluit van 16 augustus 2006 heeft het college appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Die niet-ontvankelijkverklaring vindt haar grond in de opvatting van het college dat appellant onredelijk laat bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het standpunt van het college juist geacht.

3. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat de aangevallen uitspraak reeds voor vernietiging in aanmerking komt omdat het proces-verbaal een onjuistheid bevat. In het proces-verbaal staat vermeld: “Eiser is verschenen. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.” Direct daarna staat in het proces-verbaal: “De gemachtigde van eiser legt een pleitnota over aan de hand waarvan hij het woord voert.” In de aangevallen uitspraak staat vermeld dat appellant in persoon is verschenen. Appellant was, zo heeft hij ter zitting van de Raad verklaard, zonder raadsman of gemachtigde op de rechtbankzitting aanwezig. In zoverre klopt de vermelding van dat feit in de aangevallen uitspraak en in het proces-verbaal. In het licht van deze feiten en omstandigheden kan de Raad slechts vaststellen dat de vermelding in de hiervoor geciteerde zin van de woorden “De gemachtigde van” op een kennelijke vergissing berust. Reeds omdat appellant daardoor op geen enkele wijze in zijn (processuele) belangen is geschaad, is er geen grond voor vernietiging - om die reden - van de aangevallen uitspraak.

3.2. De Raad is voorts van oordeel dat de rechtbank appellant op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn op 17 augustus 2006 ingestelde beroep tegen de weigering van het college om tijdig op het bezwaarschrift te beslissen. De Raad verwijst hiervoor naar hetgeen hij heeft overwogen onder 3.1. in zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 22 maart 2007, LJN BA1878.

3.3. Appellant heeft gesteld dat hij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar van 6 juni 2006. Naar zijn mening gaan het college en de rechtbank ten onrechte uit van een eerst na een termijn van vier maanden gemaakt bezwaar. Na de eerdere doorzending van zijn verzoek heeft hij het college nogmaals verzocht een besluit te nemen, waarvan opnieuw doorzending heeft plaatsgevonden en twee maanden daarna heeft hij een bezwaarschrift ingediend. Onder deze omstandigheden heeft het college volgens appellant ten onrechte geoordeeld dat hij onredelijk laat bezwaar heeft gemaakt.

3.4. De Raad kan appellant niet volgen. Zoals uit de onder 1. vermelde feiten en omstandigheden blijkt, heeft appellant al vele malen te maken gehad met het voeren van procedures. Zijn verzoek van 7 februari 2006 betrof een herhaald verzoek om betaling van salaris op de grond dat zijn ontslag per 1 januari 1990 niet rechtsgeldig was. In eerdere procedures was reeds uitgemaakt dat het ontslag gehandhaafd bleef en dat het college appellant ter zake van dat ontslag, naast wachtgeld, geen andere vergoeding verschuldigd was. Daarnaast was ten tijde van het indienen van het onderhavige verzoek bij de Raad een beroepsprocedure aanhangig met betrekking tot een eerder, eveneens door het college afgewezen, verzoek om compensatie voor geleden inkomensverlies.

3.5. In het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden is de Raad van oordeel dat appellant, zo niet reeds na ontvangst van de brief van 16 februari 2006, dan toch in ieder geval na ontvangst van de brief van 4 april 2006, er niet meer op kon vertrouwen dat het college nog zou beslissen op zijn verzoek van 7 februari 2006. In lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2002 (LJN AL2401) concludeert de Raad dat er na 4 april 2006 voor appellant geen aanleiding meer bestond voor uitstel van het maken van bezwaar. Door niettemin nog tot 6 juni 2006 te wachten alvorens daadwerkelijk bezwaar te maken, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat gesproken moet worden van een onredelijk laat ingediend bezwaarschrift.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het college bij het bestreden besluit van 16 augustus 2006 appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar en dat de rechtbank dat besluit bij de aangevallen uitspraak terecht in stand heeft gelaten. Dit betekent dat de Raad niet kan ingaan op hetgeen appellant verder naar voren heeft gebracht.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en D.A.C. Slump als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD

06.04