Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0934

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-2856 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering te herzien. Toeneming uit dezelfde ziekteoorzaak als die waaruit WAO-uitkering is toegekend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2856 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 maart 2006, 05/6661 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Mr. D.C. Coppens, advocaat te Den Haag, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2007.

Betrokkene is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, aan wie wegens uitval op 9 juli 2001 per 8 juli 2002 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% was toegekend, heeft zich per

9 september 2002 vanuit de WW toegenomen (volledig) arbeidsongeschikt gemeld wegens psychische alsook hartklachten en gesteld dat die toeneming is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan aan haar per

8 juli 2002 een WAO-uitkering is toegekend, is voortgekomen.

Het Uwv heeft op basis van verzekeringsgeneeskundige rapporten van 25 februari 2002 en 28 oktober 2003 gesteld dat aan de toekenning van de WAO-uitkering aan appellante per 8 juli 2002 niet ook psychische klachten ten grondslag liggen, zodat artikel 39a van de WAO in de weg staat aan herziening van de WAO-uitkering per 7 oktober 2002. Bij besluit op bezwaar van 11 augustus 2005 heeft het Uwv dan ook gehandhaafd zijn weigering om per 7 oktober 2002 over te gaan tot herziening.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dat besluit op bezwaar ongegrond verklaard onder overweging dat dat besluit een juiste beoordeling inhoudt.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat haar uitval op 9 juli 2001 óók verband hield met psychische klachten en ter onderbouwing van die stelling overgelegd een door de psychiater M.P.H. van der Meer op 10 juli 2006 afgegeven verklaring welke inhoudt dat de depressie waaraan zij lijdt waarschijnlijk al bestond in 2001.

De Raad stelt vast dat het geschil wordt beheerst door het antwoord op de vraag of aan appellante per 8 juli 2002 een WAO-uitkering is toegekend mede vanwege psychische klachten. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Appellante heeft niet gesteld dat de toekenning mede vanwege psychische klachten heeft plaatsgevonden, immers, zij heeft betoogd dat haar uitval op 9 juli 2001 ook verband hield met psychische klachten.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar de gedingstukken gesteld dat de toekenning niet ook vanwege psychische klachten heeft plaatsgevonden.

Aanvankelijk is bij besluit van 18 juni 2002 geweigerd aan appellante per 8 juli 2002 een WAO-uitkering toe te kennen, maar later, bij besluit van 27 augustus 2003 op het bezwaar van appellante tegen dat primaire besluit, is aan appellante alsnog per 8 juli 2002 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% toegekend. Aan die toekenning ligt ten grondslag een verzekeringsgeneeskundig rapport van

25 februari 2002. Daarin is vermeld bij:

- 2.2.2. Anamnese, dat appellante is uitgevallen met gewrichtsklachten alsook dat zij daarbij heeft opgemerkt dat die klachten bij spanningen toenemen,

- 2.2.4. Onderzoeksbevindingen, dat er geen sprake is van invaliderende psychopathologie,

- 3. Diagnose, dat er sprake is van surmenageklachten die tevens spanningsgerelateerd zijn en

- 4.1. Overwegingen en belastbaarheid, dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat er een zodanig afgenomen psychische draagkracht bestaat dat dit leidt tot beperkingen, maar dat confrontaties met psycho-sociale problematiek wel dienen te worden vermeden.

Op basis van deze gegevens is niet staande te houden dat de oorzaak van de bij het besluit op bezwaar aan appellante per 8 juli 2002 toegekende WAO-uitkering tevens een psychische component heeft (gehad).

De Raad tekent hierbij nog aan dat de in de primaire fase opgestelde FML weliswaar later door de bezwaarverzekeringsarts is aangescherpt, maar alleen wat het item stof, rook, gassen en dampen betreft. Aanscherping van die FML wat psychische beperkingen betreft is door appellante in beroep tegen het besluit op bezwaar noch in hoger beroep tegen de tot ongegrond verklaring strekkende en bij uitspraak van de Raad van 17 februari 2006 (voor zover aangevochten) bevestigde uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

7 oktober 2003 bepleit en heeft ook afgezien daarvan niet plaatsgevonden.

De door appellante in hoger beroep overgelegde, aan haar advocaat gerichte verklaring van de haar behandelende psychiater Van der Meer houdt (onder meer, voor zover hier van belang) in dat de depressie (waaraan appellante lijdt) waarschijnlijk al in 2001 bestond. Daargelaten dat het erom gaat of de toekenning heeft plaatsgevonden al dan niet mede op grond van psychische klachten en het er niet om gaat of appellante bij haar uitval op 9 juli 2001 psychische klachten had, alsook dat die verklaring door Van der Meer niet is onderbouwd, kan die verklaring niet leiden tot het door appellante beoogde resultaat. Deze verklaring spoort namelijk niet met een door Van der Meer eerder op

10 mei 2005 aan het Uwv afgegeven verklaring waarin - eveneens zonder onderbouwing - is vermeld dat de depressieve klachten van appellante waarschijnlijk al eind 2002 bestonden. Nòg eerder, op 11 november 2004, heeft Van der Meer ten behoeve van appellante een verklaring afgegeven welke inhoudt dat uit de anamnese naar voren komt dat er waarschijnlijk al sprake was van een depressie in de tijd dat appellante nog werkte. Die verklaring houdt tevens in dat appellante bij de polikliniek van de afdeling psychiatrie van het Ziekenhuis Leyenburg te Den Haag bekend is vanaf september 2003 en bij maatschappelijk werk bekend was vanaf oktober 2002. Louter op basis van een anamnese kan bezwaarlijk worden aangenomen dat er bij de uitval op 9 juli 2001 in psychiatrisch opzicht sprake was van een ziekte of gebrek in de zin van de WAO. Maar hoe dan ook, op basis van geen van de door Van der Meer afgegeven verklaringen kan worden aangenomen dat de toekenning van de WAO-uitkering per 8 juli 2002 heeft plaatsgevonden mede vanwege psychische klachten.

Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep van appellante en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op

25 april 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) E.M. de Bree.

JL