Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0933

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
07-4558 AW + 07-5777 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Weigering mee te werken aan nader onderzoek door een deskundige. Geen causaal verband tussen de, naderhand onrechtmatig geachte, beoordeling en de bij appellant opgetreden psychische klachten, waardoor hij stelt schade te lijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/4558 AW + 07/5777 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 juni 2007, 07/421 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: college)

Datum uitspraak: 24 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 1 oktober 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarna partijen over en weer inhoudelijk hebben gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2008. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.M. van der Sprong, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was met ingang van 1 november 2001 voor een periode van een jaar aangesteld als consulent Planning en Control bij het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Utrecht. Op 2 augustus 2002 is over het functioneren van appellant een beoordeling vastgesteld, welk besluit uiteindelijk, na een procedure bij de rechtbank, bij besluit van 14 maart 2005 is herroepen, omdat de toenmalige leidinggevenden niet meer werkzaam waren bij de gemeente Utrecht.

1.2. In zijn uitspraak van 16 maart 2006, 04/7130 en 05/5865, (LJN BA5697), heeft deze Raad onder meer geoordeeld dat, nu het college niet meer heeft kunnen komen tot een inhoudelijke toetsing van de beoordeling, het ervoor moet worden gehouden dat het beoordelingsbesluit onrechtmatig was, zodat de vergoeding van de schade, die appellant mogelijk heeft geleden door het beoordelingsbesluit, en waarvan het college vergoeding had afgewezen, voor rekening van het college komt. Daaraan heeft de Raad toegevoegd dat hij het college kan volgen in zijn standpunt dat de weigering het dienstverband met appellant ook vanaf 1 november 2003 op enigerlei wijze voort te zetten geen rechtstreeks verband houdt met de beoordeling. Met het standpunt van het college dat de gestelde schade in verband met appellants psychische en fysieke klachten niet door het beoordelingsbesluit kwam, kon de Raad niet zonder meer meegaan. Het college had volgens de Raad op zijn minst appellant in de gelegenheid moeten stellen zijn beweringen over de oorzaak van de geleden gezondheidsschade nader te onderbouwen.

1.3. Vervolgens heeft appellant een verklaring van 7 juli 2006 van een bedrijfsarts ingebracht, waarna het college, in verband met onduidelijkheden in die verklaring, aan appellant heeft verzocht mee te werken aan nader onderzoek door een deskundige. Dat heeft appellant geweigerd, omdat hij de verklaring van de bedrijfsarts, gezien in samenhang met een rapportage van de verzekeringsgeneeskundige van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, voldoende duidelijk vond. Daarna heeft het college van de betrokken bedrijfsarts desgevraagd een verduidelijking van haar standpunt verkregen. Vervolgens is bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2007 (hierna: besluit 1) afwijzend beslist op appellants verzoek om vergoeding van schade.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts zijn bepalingen over het griffierecht en de proceskosten gegeven.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant heeft aangevoerd dat de door hem opgevoerde schadeposten in zodanig verband staan met de door het college herroepen beoordeling dat de rechtbank zelf de gevraagde vergoeding volledig had moeten toewijzen. Eventueel had de rechtbank de zaak, na aanvullend onderzoek, zelf moeten afdoen.

3.2. Naar het oordeel van de Raad wordt in de door appellant ingebrachte verklaringen van de bedrijfsarts niet gemotiveerd onderbouwd dat een causaal verband bestaat tussen de, naderhand onrechtmatig geachte, beoordeling en de bij appellant opgetreden psychische klachten, waardoor hij stelt schade te lijden. De Raad acht hierbij van belang dat, zoals ook volgt uit ’s Raads hiervoor genoemde uitspraak van 16 maart 2006, onderscheid moet worden gemaakt tussen schade veroorzaakt door de onrechtmatige beoordeling en schade veroorzaakt door het daarvan losstaande niet verlengen van het dienstverband. De Raad wijst er voorts op dat de bedrijfsarts in de nader op 1 februari 2007 gegeven toelichting desgevraagd gemotiveerd uiteengezet heeft waarom zij nader onderzoek door een deskundige noodzakelijk acht. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat het aan appellant is de hier gestelde schade aannemelijk te maken.

De rechtbank heeft voorts met juistheid geconstateerd dat hiervan los staan de door appellant geclaimde kosten van juridische bijstand en van begeleiding door coach K, waaromtrent alsnog door het college zal moeten worden beslist. Gelet op al het vorenstaande heeft de rechtbank terecht, met vernietiging van het bestreden besluit, het college opgedragen hieromtrent opnieuw te beslissen, waarbij appellant ware te wijzen op de consequenties, indien hij de nader verlangde informatie niet inbrengt.

4. Met het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit op bezwaar van 1 oktober 2007 (hierna: besluit 2) wordt niet volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant, zodat het beroep van appellant ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht wordt mede te zijn gericht tegen besluit 2.

4.1. Bij besluit 2 heeft het college, zoals het zelf stelt, uit piëteit een vergoeding verstrekt voor de geclaimde kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 3195,28 en voorts voor overige procedurekosten, waaronder portokosten en wettelijke rente, ten bedrage van € 120,-.

Het college heeft de kosten van begeleiding van appellant door coach K. in de bezwaarprocedure niet vergoed, omdat deze kosten niet onder de noemer professioneel verleende rechtsbijstand zijn te scharen. De Raad deelt dat oordeel van het college, zodat het college de hiervoor gevraagde vergoeding terecht heeft afgewezen.

4.2. Voorts is bij besluit 2 vergoeding van overige schade afgewezen, omdat appellant het gestelde causale verband tussen de schade en de herroepen beoordeling niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.3. Na door het college in de gelegenheid te zijn gesteld het gestelde causale verband nader te onderbouwen en tevens gewezen te zijn op de consequenties, indien hij niet met een andere onderbouwing kwam, heeft appellant toch daarvan afgezien, stellende dat hij eerst de kosten van juridische bijstand vergoed wilde hebben. Ter zitting heeft appellant meegedeeld dat hij op voorhand geen vertrouwen had in een door het college aan te wijzen deskundige, reden waarom hij de Raad verzoekt dat alsnog te doen.

De Raad overweegt hieromtrent dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, het aan appellant is om het gestelde causale verband aannemelijk te maken. Nu hij, hoewel uitdrukkelijk gewezen op de consequenties, dat niet heeft gedaan, moet worden geoor-deeld dat de betrokken schade niet in een zodanig verband staat met de ingetrokken beoordeling, dat deze voor vergoeding in aanmerking komt. Omtrent de gestelde schade vanwege het niet verlengen van het dienstverband is reeds beslist bij de hiervoor genoemde uitspraak van 16 maart 2006, zodat de Raad thans op dat aspect niet verder hoeft in te gaan.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep dat appellant geacht wordt te hebben ingesteld tegen besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

HD

14.04