Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
07-74 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om met behoud van bijstand te kunnen starten als zelfstandige. Nieuw besluit ter uitvoering van de uitsprak van de rechtbank. Schadevergoeding: niet voldaan aan vereiste van processuele connexiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 176
RSV 2008, 195

Uitspraak

07/74 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2006, 05/1969 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2008. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving ten tijde hier van belang een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.

Op 8 juni 2001 heeft appellant het College gevraagd om toepassing van artikel 8, zesde lid, van de Abw teneinde zich - met behoud van bijstand - te kunnen voorbereiden op zijn start als zelfstandig ondernemer.

Bij besluit van 27 augustus 2001 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen omdat appellant naar verwachting ook met toepassing van een opleidings- en begeleidingstraject niet binnen een periode van maximaal een jaar in staat zal zijn om succesvol een eigen bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen.

Bij besluit van 27 augustus 2002 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2001 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2003 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 27 augustus 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens een onzorgvuldige voorbereiding en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 24 februari 2004 heeft het College appellant onder voorbehoud alsnog toegelaten tot bedoelde voorbereidingsperiode.

Appellant heeft het College bij brief van 15 maart 2004 verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade ten bedrage van € 2.112.039,98 als gevolge van onjuist bestuurlijk handelen vanaf 9 augustus 2001.

Bij besluit van 28 september 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 10 maart 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 september 2004 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat de gestelde schade theoretisch van aard is, dat een causaal verband met het door de rechtbank vernietigde besluit van 27 augustus 2002 ontbreekt en dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking te komen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 maart 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Appellant stelt schade te hebben geleden als gevolg van diverse onrechtmatige daden door het College, welke schade onder meer bestaat uit tijdverlies bijvoorbeeld door onnodig moeten solliciteren en het hem gedurende een bepaalde periode onthouden van de voorbereidingsperiode, misgelopen bedrijfsactiviteiten, renteschade en het interen op zijn erfenis om de huurkosten te betalen. Voorts stelt appellant immateriële schade te hebben geleden veroorzaakt door sociale letsels, niet zijnde geestelijke letsels.

De Raad stelt voorop dat niet in geschil is de onrechtmatigheid van het besluit van 27 augustus 2002 en de toerekenbaarheid - in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) - aan het College. Ook de Raad gaat daar van uit. De overige door appellant gestelde onrechtmatige daden, wat daar ook van zij, zijn niet terug te voeren op door het College genomen besluiten. De - beweerde - schadeveroorzakende handelingen zijn derhalve, gelet op de artikelen 8:1 en 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet vatbaar voor bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter. Daarmee is gegeven dat wat de onrechtmatige handelingen betreft niet is voldaan aan het volgens vaste rechtspraak te stellen vereiste van processuele connexiteit. Dit betekent dat de rechtbank de gestelde schadeposten terecht uitsluitend heeft beoordeeld in het licht van het vernietigde besluit van 27 augustus 2002.

Voorts is de Raad van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat van voor vergoeding in aanmerking komende schade sprake is, nu de gestelde schadeposten niet met objectieve en verifieerbare gegevens zijn onderbouwd, nog daargelaten dat van enig oorzakelijk verband tussen de door appellant opgevoerde schadeposten en het vernietigde besluit van 27 augustus 2002 niet is gebleken. Zo is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de gestelde gederfde winst bij wel directe toelating tot de voorbereidingsperiode in een te ver verwijderd verband staat met het besluit van 27 augustus 2002.

Appellant stelt voorts ook immateriële schade te hebben geleden door tijdverlies en een ontstane armoedeval zich uitende in sociale letsels, niet zijnde geestelijke letsels.

Wat de vergoeding van immateriële schade betreft blijkt uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:106 van het BW dat de wetgever hierbij het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en andere persoonlijkheidsrechten van betrokkene. Onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie tekent de Raad hierbij aan dat daarvoor van onvoldoende betekenis is dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan. Het gaat erom of betrokkene voldoende aannemelijk kan maken dat hij zodanig onder het besluit heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het BW. Nu er volgens appellant geen sprake was van een geestelijk letsel doch van een sociaal letsel, wat daar ook van zij, heeft het College ook in zoverre het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen.

Al het overige wat door appellant in dit verband is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

AR080408