Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06/2603 AW + 06/2741 AW + 06/5244 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag evenredig aan ernst en aard plichtsverzuim? Verwijtbaar tekortgeschoten? Onvoldoende toezicht op kasbeheer? Onzorgvuldige kashandelingen? Bij nader besluit eervol ontslag, vernietiging besluit aangezien geen functioneringsgesprekken gehouden.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 77, geldigheid: 2008-04-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/220

Uitspraak

06/2603 AW, 06/2741 AW en 06/5244 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Midden (hierna: korpsbeheerder), en

A[betrokkene]

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 maart 2006, 04/2774 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de korpsbeheerder

Datum uitspraak: 17 april 2008

I. PROCESVERLOOP

De korpsbeheerder heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft eveneens hoger beroep ingesteld

Betrokkene en de korpsbeheerder hebben een verweerschrift ingediend.

De korpsbeheerder heeft op 25 juli 2006 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek te zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T.B. Vandeginste, advocaat te Arnhem. De korps-beheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Haverkamp en

ing. W.J. Ligtenberg, beiden werkzaam bij de politieregio Gelderland-Midden.

II. OVERWEGINGEN

1.Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is vanaf 1 februari 1975 aangesteld geweest bij de politie aanvankelijk bij de gemeentepolitie Arnhem en vanaf 1954 bij de politieregio Gelderland-Midden. Vanaf 19 februari 1999 was betrokkene werkzaam als financieel beleidsadviseur op de afdeling financiële zaken van het voormalig district [naam district] van die politieregio. Hoewel daaraan geen besluit ten grondslag lag heeft betrokkene allengs verscheidene taken binnen de afdeling Facilitaire Ondersteuning (Faco) vervuld, in verband waarmee hij nadien bij besluit van 6 december 2000 met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 1999 voorlopig tot 31 december 2001 tijdelijk is belast met de waarneming van de functie van Hoofd Faco.

1.2. In 2002 is door het Bureau Interne Zaken uitgebreid onderzoek gedaan naar de oorzaak van geconstateerde kasverschillen in de districtskas. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van de rapporteur Th. G.H. te Wil van

20 oktober 2003 (hierna: BIZ-rapport).

1.3. Na op 13 november 2003 het voornemen daartoe te hebben geuit heeft de korpsbeheerder bij het bij besluit op bezwaar van 5 oktober 2004 (hierna: bestreden besluit) gehandhaafde besluit van 17 februari 2004 aan betrokkene de straf van ontslag opgelegd als bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wegens plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim bestond, kort samengevat, uit het onvoldoende toezicht houden op het kasbeheer en het verrichten van onzorgvuldige kashandelingen, het verdoezelen van kastekorten, het onvoldoende zorg dragen voor het afwikkelen en verantwoorden van de kantineopbrengsten in de periode van 16 oktober 2000 tot 1 januari 2001 en tenslotte het niet voorkomen van onjuist handelen bij de aanschaf van een fotocamera ten behoeve van de gemeente Zevenaar.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat weliswaar is komen vast te staan dat betrokkene meerdere malen ernstig en verwijtbaar tekort is geschoten in het betrachten van de mate van zorgvuldigheid die van hem in zijn positie mocht worden verwacht, hetgeen moet worden aangemerkt als ernstig plichts-verzuim, doch dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene getracht heeft kastekorten te verdoezelen. Gelet op de omstandigheden, waaronder het onzorgvuldig handelen door betrokkene dat heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank de straf van ontslag onevenredig geacht aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.

3. In hoger beroep heeft de korpsbeheerder in hoofdzaak het oordeel van de rechtbank dat de opgelegde straf onevenredig is aan het vastgestelde plichtsverzuim bestreden, en daartoe in hoofdzaak aangevoerd dat betrokkene wel degelijk op de hoogte was van problemen met betrekking tot het kasbeheer en kastekorten, dat hij daarover niet of niet volledig heeft gerapporteerd, en dat er met betrekking tot de kantinekas sprake is geweest van zeer ernstig plichtsverzuim.

4. Betrokkene heeft zich in hoger beroep gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er sprake is geweest van ernstig plichtsverzuim en dat zijn handelwijze in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het voortbestaan van onregelmatigheden rond het kasbeheer.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

5.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat sprake is van plichtsverzuim en verenigt zich met de in de aangevallen uitspraak geformuleerde gronden waarop dit oordeel berust. Ook de Raad is van oordeel dat de voorhanden zijnde stukken, waaronder het BIZ-rapport, overtuigend laten zien dat betrokkenes handelwijze in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het voortbestaan van onregelmatigheden rond het kasbeheer. Betrokkene heeft onvoldoende initiatief getoond om de gebleken kastekorten onverwijld te (doen) onderzoeken teneinde de oorzaak daarvan vast te stellen. Verder heeft betrokkene zelf een aantal kashandelingen verricht, waarbij hij zich niet heeft gehouden aan de door hemzelf ontworpen kasinstructie. Ook de niet inzichtelijke wijze waarop betrokkene de overdracht van de kantinekas naar de districtskas heeft gerealiseerd, heeft niet voldaan aan de eisen die aan zorgvuldig kasbeheer kunnen worden gesteld. Dit alles heeft de korpsbeheerder terecht kunnen doen concluderen dat bij de taakuitvoering door betrokkene sprake was van tekortkomingen die zijn aan te merken als plichtsverzuim.

5.2. De Raad volgt betrokkene niet in zijn ook in hoger beroep ingenomen stelling dat hij in zijn functie niet of nauwelijks enige verantwoordelijkheid droeg voor het kasbeheer. Aan betrokkene kan worden toegegeven dat hem bij zijn aantreden op de afdeling Faco in augustus 1999 door het bevoegd gezag geen duidelijk omschreven taak is toebedeeld en dat hij toen ook niet uitdrukkelijk is aangesteld in de functie van (waarnemend) Hoofd Faco, met alle daaraan verbonden taken en verantwoordelijkheden. Zoals betrokkene zelf heeft aangegeven voelde hij zich echter, gedwongen door de omstandigheden, steeds meer genoodzaakt om, naast zijn taken als financieel beleidsadviseur, verantwoordelijk-heid te nemen voor de financiële administratie, waaronder ook de districtskas. Dit heeft ertoe geleid dat betrokkene na enige tijd, klaarblijkelijk met instemming van de dienst-leiding, de facto als Hoofd Faco is gaan functioneren, hetgeen in december 2000 nog heeft geleid tot het besluit hem met terugwerkende kracht de functie van waarnemend Hoofd Faco op te dragen. Nu betrokkene op deze wijze verantwoordelijkheid heeft verkregen voor het kasbeheer en het toezicht daarop, was hij ook verplicht die verantwoordelijkheid waar te maken.

De omstandigheden waarop betrokkene zich ter verklaring van zijn handelen heeft beroepen zijn niet van dien aard dat van plichtsverzuim niet zou kunnen worden gesproken. Als waarnemend Hoofd Faco had betrokkene zich veel meer moeten inspannen om het kasbeheer op orde te krijgen. Het hoger beroep van betrokkene slaagt derhalve niet.

5.3. Vervolgens oordeelt ook de Raad dat de korpsbeheerder niet aannemelijk heeft kunnen maken dat betrokkene opzettelijk onjuiste boekingen heeft verricht en dat hij heeft getracht door het achterhouden van informatie te voorkomen dat bestaande kastekorten onder de aandacht van de districtschef en de stafafdeling Financieel Economische Zaken (FEZ) zouden komen. Ook is niet gebleken dat betrokkene te maken had met het verdoezelen van kastekorten door de kasbeheerder, zoals dat in elk geval in januari 2001 heeft plaatsgevonden. Dat betrokkene, nadat hij van het kastekort op de hoogte was gebracht, nagelaten heeft zelf grondiger onderzoek te doen naar de oorzaak daarvan en de ernst daarvan niet heeft onderkend, kan hem in zijn positie weliswaar ernstig worden aangerekend, doch dit betekent niet dat hij zich daarmee aan het verbergen van die tekorten heeft schuldig gemaakt.

Met betrekking tot het feit dat betrokkene op 23 januari 2001 een vastgesteld kastekort van € 1.227,04 heeft afgeboekt kan slechts worden vastgesteld dat dit in alle openheid is gebeurd, echter wel zonder de volgens de kasinstructie vereiste schriftelijke toestemming van de districtschef. Of betrokkene, zoals hij stelt, hiervoor wel mondeling de toestem-ming van de districtchef had verkregen, kan niet worden vastgesteld, nu betrokkene en de districtchef hieromtrent tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. In het licht van deze afboeking van dit tekort is ook niet geheel onbegrijpelijk dat betrokkene, nadat in maart 2001 een veel groter tekort van ruim € 4.000 was vastgesteld, de functionaris H., die dit tekort zou onderzoeken, ertoe heeft gebracht zich bij zijn onderzoek naar dit tekort te beperken tot de kashandelingen die waren verricht in het jaar 2001. Er is geen bewijs voor dat betrokkene door dit te doen welbewust heeft getracht te voorkomen dat door het onderzoek van H. ernstiger onregelmatigheden in het kasbeheer van het jaar 2000, waarvan betrokkene reeds weet zou hebben, aan het licht zouden komen. Een belangrijk onderdeel van het aan het ontslag ten grondslag gelegde plichtsverzuim, het welbewust verdoezelen van kastekorten, vindt derhalve onvoldoende steun in de feiten.

5.4. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de straf van onvoor-waardelijk ontslag onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Zij heeft daarvoor onder meer in aanmerking genomen de omstandigheid dat de taak van toezichthouder op het kasbeheer gaandeweg als neventaak bij betrokkene is komen te liggen, dat duidelijk instructies en taakstellingen met daaraan gekoppeld periodieke gesprekken waarin de uitvoering van die opgedragen taken met de leidinggevende werden besproken, ontbraken en dat er ondanks het bekend zijn van regelmatige kastekorten van hogerhand, ook niet vanuit de afdeling FEZ, met prioriteit werd gestreefd naar het uitbannen daarvan. De Raad kan zich verenigen met dit, op grond van de in de aangevallen uitspraak beschreven omstandigheden gegeven, oordeel van de rechtbank dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is.

5.5. Op vorenstaande gronden slaagt het door de korpsbeheerder ingestelde hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nadere besluit van 25 juli 2006. Bij dit besluit heeft de korpsbeheerder aan betrokkene op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp, eervol ontslag verleend met ingang van 18 maart 2004 wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

6.1. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 6 januari 2005, LJN AS2575) zal van eervol ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken, zoals bedoeld in laatstgenoemde bepaling van het Barp, in het algemeen niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Op dit uitgangspunt laat de jurisprudentie uitzonderingen zien in gevallen waarin - voor zover hier van belang - de ambtenaar dusdanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling te beschikken dat het bevoegd gezag zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is. Die laatste conclusie mag echter slechts in bijzonder sprekende gevallen worden getrokken.

6.2. De Raad heeft vastgesteld dat met betrokkene geen functioneringsgesprekken zijn gehouden, waarin hij op zijn tekortschietend functioneren met betrekking tot het kasbeheer is gewezen. Ook uit de door de districtschef afgelegde verklaring, waaruit blijkt dat hij ervan uitging dat betrokkene een en ander wel onder controle had, blijkt wel dat deze leidinggevende zich als leidinggevende onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van het functioneren van betrokkene op dit onderdeel. Nu betrokkene een functie waarnam die zwaarder was dan zijn eigen functie had zulks wel voor de hand gelegen. Van het bieden van verbeterkansen is derhalve geen sprake geweest. Voorts is van ongeschiktheid van betrokkene voor de functie, waarin hij was benoemd, financieel beleidsadviseur, niet gebleken. Dat betrokkene tekort is geschoten met betrekking tot het tot zijn taak als waarnemend Hoofd Faco behorende kasbeheer, is onvoldoende voor het oordeel dat hij daarmee ook blijk gegeven heeft van ongeschiktheid voor de functie van financieel beleidsadviseur. Een bijzonder sprekend geval als bedoeld in de laatste zinsnede onder 7.1. is hier dan ook niet aanwezig.

6.3. Het beroep dat betrokkene geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het nieuwe besluit van 25 juli 2006 moet gegrond worden verklaard en dit besluit moet worden vernietigd.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 805,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 juli 2006 gegrond;

Vernietigt het besluit van 25 juli 2006;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 805,-, te betalen door de politieregio Gelderland-Midden;

Bepaalt dat van de politieregio Gelderland-Midden een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K.J. Kraan en

A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

HD

02.04