Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0911

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
07-771 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Autohandel. Schending inlichtingenverplichting. Proceskostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17, geldigheid: 2008-04-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/181
JWWB 2008, 162

Uitspraak

07/771 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 januari 2007, 06/1596 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.W. Plantenga, advocaat te Breukelen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 07/594, plaatsgevonden op 18 maart 2008, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Plantenga en waar het College zich heeft doen vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant en [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) ontvingen van 21 juli 1999 tot 7 januari 2003 en van 13 februari 2003 tot 9 augustus 2004 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Van 7 januari 2003 tot en met 12 februari 2003 ontving [betrokkene] in verband met detentie van appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

In oktober 2004 heeft de financiële recherche van de politie Amsterdam-Amstelland het College gevraagd om informatie over de inkomenspositie van appellant en [betrokkene] in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar meerdere bedrijfsinbraken waarbij appellant als verdachte werd aangemerkt. Naar aanleiding hiervan heeft het Team Handhaving van de Afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Utrecht onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant en [betrokkene] verleende bijstand. In dat kader is onder meer kennis genomen van gegevens verkregen uit het tegen appellant ingestelde strafrechtelijk onderzoek en van het jegens appellant gewezen strafrechtelijk vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2005, is dossieronderzoek gedaan, is diverse instanties om inlichtingen verzocht en is [betrokkene] verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 november 2005. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 17 augustus 2005 de bijstand van appellant en [betrokkene] met ingang van 1 juli 1997 in te trekken en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 8 augustus 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 106.266,57 van hen terug te vorderen.

Bij besluit van 20 februari 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 augustus 2005 gegrond verklaard en besloten de bijstand met ingang van 14 december 2002 in te trekken en de over de periode van 14 december 2002 tot en met 8 augustus 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 28.330,16 van appellant terug te vorderen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 februari 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vooraf

De Raad merkt allereerst op dat de rechtbank afdoende is ingegaan op de grief van appellant dat hij in zijn belangen is geschaad doordat het College eerst bij de aanvang van de hoorzitting kenbaar heeft gemaakt dat het besluit van 17 augustus 2005 niet onverkort zou worden gehandhaafd, maar ingrijpend zou worden gewijzigd. Hetgeen appellant hierover in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht, geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.

De intrekking

De Raad stelt voorop dat hier dient te worden beoordeeld de periode van 14 december 2002 tot en met 8 augustus 2004.

Het College heeft aan de intrekking van de bijstand ten grondslag gelegd dat appellant de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de periode van 14 december 2002 tot en met 8 augustus 2004 niet kan worden vastgesteld. Het College heeft daarbij overwogen dat appellant geen melding heeft gemaakt van zijn (illegale) werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende inkomsten en evenmin van het feit dat in 2003 op een op zijn naam staande rekening contant aanzienlijke bedragen zijn gestort. De gemachtigde van het College heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat aan de intrekking geen andere schendingen van de inlichtingenverplichting ten grondslag zijn gelegd.

De Raad is het eens met het College dat ten aanzien van de stortingen in 2003 sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Uit de gedingstukken blijkt immers dat appellant sedert 1999 aan het College geen opgave heeft gedaan van de bankrekening met nummer [Bankrekeningnummer] op zijn naam en van de op die rekening in de periode van 26 augustus 2003 tot en met 10 oktober 2003 contant gestorte bedragen van in totaal € 8.950,30,--.

De Raad deelt echter niet het standpunt van het College dat appellant zonder daarvan bij het College melding te hebben gemaakt gedurende de in geding zijnde periode (illegale) werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft het College gewezen op verklaringen die appellant op 8 maart 2004 en 30 september 2004 tegenover de politie heeft afgelegd. Op 8 maart 2004 heeft appellant verklaard dat hij momenteel als vrije autohandelaar werkt en op 30 september 2004 dat hij altijd geld heeft verdiend, dat hij onder andere auto’s verkoopt en de opbrengst daarvan zwart in zijn zak steekt en dat hij dat nooit aan de sociale dienst heeft doorgeven. Uit deze verklaringen kan weliswaar het vermoeden worden geput dat appellant in auto’s handelde, maar de gedingstukken bevatten onvoldoende feitelijke gegevens die de conclusie van autohandel gedurende de in geding zijnde periode rechtvaardigen. De Raad overweegt voorts dat hij aan het strafvonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2005 waarin appellant is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren en zes maanden met aftrek van voorarrest wegens diverse vermogensdelicten niet de betekenis toekent die het College daaraan gehecht wenst te zien, reeds omdat de gedingstukken geen gegevens bevatten over de feiten die de rechtbank bewezen heeft geacht. De Raad hecht evenmin betekenis aan de verklaring die [A.B.] op 29 september 2004 tegenover de politie heeft afgelegd en die, voor zover van belang, inhoudt dat appellant zich zijn hele leven lang al bezig houdt met het plegen van inbraken. Deze verklaring acht de Raad in dit verband onvoldoende concreet. De stelling van het College dat appellant hennep heeft geteeld laat de Raad buiten beschouwing, reeds omdat deze ziet op een eerdere dan de in geding zijnde periode.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen berust het besluit van 20 februari 2006, voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand op een ondeugdelijke motivering. Dit betekent dat het besluit van 20 februari 2006 in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad ziet evenwel aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit in stand blijven en overweegt daartoe als volgt.

Hiervoor is al overwogen dat ten aanzien van de stortingen in 2003 sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Evenmin heeft appellant aan het College opgegeven dat [betrokkene] van 27 november 2003 tot 14 april 2004 een auto op haar naam heeft gehad, waarvan de dagwaarde voor de verzekering is vastgesteld op € 14.000,-- en die op 14 april 2004 voor € 9.500,-- is verkocht. Ook heeft appellant niet aan het College gemeld dat [betrokkene] beschikte over 1900 munten van twee euro die na een inbraak op 26 december 2003 uit hun woning zijn ontvreemd. Verder blijkt uit de gedingstukken dat op 29 september 2004 in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen appellant beslag is gelegd op de inhoud van een bankkluis met onder meer een Cartier horloge en een bedrag van € 13.000,-- in contanten. [betrokkene] heeft op 25 oktober 2005 tegenover de sociale recherche verklaard dat het horloge en het bedrag in contanten haar eigendom zijn, dat zij het horloge omstreeks 2001 voor ƒ 7000,-- of ƒ 9000,-- heeft gekocht en dat zij het bedrag van € 13.000,-- gedurende 17 jaar bij elkaar heeft gespaard. Voorts heeft [betrokkene] tegenover de sociale recherche verklaard dat zij in 2003 € 2.000,-- klaar had liggen om een cosmetische operatie te financieren en dat zij € 3.800,-- voor die operatie heeft betaald. Van een en ander heeft appellant bij het College geen melding gemaakt.

De Raad is van oordeel dat het hiervoor weergegeven complex van feiten en omstandigheden, bezien in hun onderlinge verband en samenhang, een toereikende grondslag biedt voor de conclusie dat appellant de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de periode van 14 december 2002 tot en met 8 augustus 2004 niet kan worden vastgesteld. Dat betekent dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de bijstand van appellant en [betrokkene] met ingang van 14 december 2002 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik zou kunnen maken.

De terugvordering

Met het bovenstaande is tevens gegeven dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was de kosten van bijstand over de periode van 14 december 2002 tot en met 8 augustus 2004 van appellant terug te vorderen. De Raad stelt vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van het beleid had moeten afwijken.

Proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 februari 2006, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door de gemeente Utrecht aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29.april 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

AR070408