Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0909

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-19 AKW + 06-1864 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij nader besluit alsnog kinderbijslag toegekend, aangezien uit in hoger beroep overgelegde stortingsbewijzen blijkt dat voldaan is aan onderhoudsvoorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/19 AKW

06/1864 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2005, 05/2109 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Hangende het hoger beroep heeft de Svb op 15 maart 2006 een gewijzigd besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2007. Appellant is - met bericht - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. A. Slovacek.

De Raad heeft na de zitting het onderzoek heropend.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 7 februari 2008. Appellant is - met bericht - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. A. Slovacek.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 23 december 2003 de Svb verzocht hem kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen voor - voor zover in dit geding van belang - zijn in Marokko verblijvende kinderen [M. en T.]

Bij brief van 21 september 2004 heeft het Bureau sociale zaken van de Nederlandse Ambassade in Marokko de Svb op de hoogte gesteld van de resultaten van een op verzoek van de Svb uitgevoerd onderzoek. Daarbij is aangegeven dat de door appellant opgegeven woonplaats van de kinderen op 2 september 2004 onaangekondigd is bezocht, waarbij met de door appellant opgegeven verzorger van de kinderen is gesproken. Deze verzorger, de oom van de kinderen [naam verzorger], heeft verklaard dat de kinderen van 1992 tot augustus 2004 bij hem hebben gewoond en door hem zijn verzorgd. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij van appellant ongeveer € 300,-- per kwartaal ontving, maar dat hij daarvan geen bewijzen kan overleggen. De kinderen wonen sinds augustus [H.]04 bij hun oudere broer [H.]] in de stad [naam stad] stad]. Vervolgens is een bezoek gebracht aan het woonadres van de kinderen in [naam stad]. Aldaar is gehoord [H.] die heeft verklaard dat de kinderen sinds augustus 2004 bij hem wonen, dat zij voorheen bij zijn oom woonachtig waren en dat appellant vanaf 16 juli 2004 gedurende een vakantieverblijf van een maand bij hen heeft verbleven.

Bij besluit van 2 december 2004 heeft de Svb geweigerd kinderbijslag ingevolge de AKW aan appellant toe te kennen voor zijn in Marokko verblijvende kinderen vanaf het vierde kwartaal 2003. Daarbij is aangegeven dat de kinderen niet behoren tot het huishouden van appellant en dat appellant niet heeft kunnen aantonen dat hij de kinderen in belangrijke heeft onderhouden.

Bij besluit van 13 april 2005 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 december 2004 ongegrond verklaard, waarbij de aanspraak van appellant op kinderbijslag is beoordeeld tot en met het derde kwartaal van 2004.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 13 april 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad degene die een aanspraak wil doen gelden op kinderbijslag voor een niet tot zijn huishouden behorend eigen kind, op voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig controleerbare wijze aannemelijk dient te maken dat hij aan zijn in de wet en in de ter uitvoering van de wet gegeven voorschriften nader omschreven onderhoudsplicht, ten opzichte van de kinderen heeft voldaan. De rechtbank heeft vervolgens aangesloten bij het door de Svb terzake gevoerde beleid, inhoudende dat ter uitvoering van het vereiste van eenvoudige controleerbaarheid, bij storting van de onderhoudsbijdrage op de bankrekening bij een erkende bank of betalingsinstelling van de verzorger van het kind of het kind van de verzekerde, zowel het stortingsbewijs als het ontvangstbewijs dienen te worden overgelegd. Appellant heeft over de kwartalen in geding weliswaar vijf betalingsbewijzen van Western Union Money Transfer overgelegd, maar slechts één ontvangstbewijs voor een betaling aan zijn zoon [H.] van € 750,-- op 29 september 2004. De rechtbank komt tot het oordeel dat appellant in de periode vanaf het vierde kwartaal van 2003 tot en met het tweede kwartaal van 2004 niet heeft aangetoond dat hij aan zijn onderhoudsverplichting heeft voldaan. Ten aanzien van het derde kwartaal 2004, waarin appellant gedurende één maand bij zijn kinderen in Marokko verbleef, heeft de rechtbank vastgesteld dat niet is voldaan aan de beleidsregel van de Svb op grond waarvan bij verblijf van de verzekerde bij zijn kinderen in het buitenland het onderhoud ook op andere wijze kan worden aangetoond, omdat het verblijf van appellant niet ten minste twee maanden binnen één kwartaal heeft geduurd.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar aanleiding van hangende het hoger beroep door appellant ingebrachte betalings- en ontvangstbewijzen heeft de Svb zich bij het gewijzigd besluit op bezwaar van

15 maart 2006 nader op het standpunt gesteld dat appellant over het derde kwartaal van 2004 heeft aangetoond dat hij zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden, zodat hij over dat kwartaal recht heeft op enkelvoudige kinderbijslag ten behoeve van de kinderen [M. en T.] De Svb heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 december 2004 gedeeltelijk gegrond verklaard en aangegeven dat er geen aanleiding is voor vergoeding van proceskosten, nu appellant eerst in hoger beroep stukken heeft overgelegd waaruit bleek dat het besluit op bezwaar wat betreft het derde kwartaal van 2004 geen stand kon houden.

De Raad merkt het nadere besluit van 15 maart 2006 aan als een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met dit besluit heeft de Svb de weigering van kinderbijslag gedeeltelijk niet langer gehandhaafd zodat het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 13 april 2005 gegrond dient te worden verklaard, dit besluit dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten. Nu met het besluit van 15 maart 2006 niet geheel is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant, dient de Raad dit besluit gelet op artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb mede in zijn beoordeling te betrekken.

Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb bij het besluit van 15 maart 2006 terecht gehandhaafd de weigering om aan appellant kinderbijslag toe te kennen over het vierde kwartaal van 2003 en het eerste, tweede en vierde kwartaal van 2004. Appellant heeft over deze kwartalen in de aanvraag- en bezwaarfase stortingsbewijzen overgelegd van stortingen ten name van zijn zoon [H.] op 14 oktober en 23 december 2003 en op

26 maart 2004. Bij de stortingsbewijzen van 14 oktober en 23 december 2003 ontbreken van de op grond van het beleid van de Svb vereiste ontvangstbewijzen. Hoewel de rechtbank niet heeft onderkend dat appellant reeds in de bezwaarfase voor de storting op 26 maart 2004 van € 1200,-- tevens een ontvangstbewijs heeft overgelegd, kan ook dit niet leiden tot het door appellant gewenste resultaat. Uit het buitendienstonderzoek van de Nederlandse Ambassade is gebleken dat niet [H.] maar de oom [naam verzorger] tot augustus 2004 de verzorger van de kinderen was. Hieruit volgt dat het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 15 maart 2006 ongegrond moet worden verklaard.

Gelet op het bij en krachtens de AKW geldende wettelijke systeem dient de verzekerde aan te tonen dat aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW geformuleerde onderhoudsvoorwaarde is voldaan. Nu appellant dit bewijs, vanwege voor zijn risico komende factoren, eerst in hoger beroep heeft overgelegd en de Svb het besluit op bezwaar dientengevolge gedeeltelijk niet heeft gehandhaafd ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling van de Svb in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 april 2005 gegrond;

Vernietigt het besluit van 13 april 2005;

Verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 15 maart 2006 ongegrond;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid

A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) A.C. Palmboom.

AR110408