Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0905

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
06-1613 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Overschrijding redelijke termijn. Vergoeding immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1613 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 februari 2006, 05/4565 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 25 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2008. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreid overzicht van de feiten en omstandigheden in dit geding van belang verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

In de aangevallen uitspraak is de rechtbank op grond van de in die uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 24 mei 2002 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering.

Hetgeen appellant in het hoger beroepschrift van 15 maart 2006 naar voren heeft gebracht leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Terecht heeft de rechtbank erop gewezen dat met de klachten van appellant met betrekking tot zijn rug en zijn psychische gesteldheid rekening is gehouden. Ook in hoger beroep heeft appellant niet aangetoond dat zulks in onvoldoende mate is geschied.

De stelling van appellant dat een nader onderzoek had dienen plaats te vinden gericht op de datum in geding, miskent dat het onderzoek van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts op die datum gericht waren.

Anders dan appellant meent bestond voor een terugkoppeling met de behandelende sector geen aanleiding. Dit reeds omdat de informatie van de behandelde sector bekend was en in de besluitvorming is betrokken. De Raad wijst erop dat appellant ook in hoger beroep niet heeft aangegeven over welke informatie van belang de bezwaarverzekeringsarts niet beschikte.

Terecht is de rechtbank voorts tot het oordeel gekomen dat de voor appellant geschikt geachte functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant. Ook de Raad ziet geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat niet op voldoende wijze is toegelicht waarom de functies voor appellant geschikt zijn. Dat in bezwaar naar aanleiding van de door appellant ingediende gronden de arbeidsdeskundige zijn reeds eerder ingenomen standpunt nader heeft toegelicht maakt dit niet anders.

De omstandigheid dat tussen het onderzoek van de verzekeringsarts en het onderzoek van de arbeidsdeskundige een ruime periode ligt brengt niet met zich dat het onderzoek van de arbeidsdeskundige daarom gebrekkig is.

De Raad kan zich derhalve geheel vinden in het oordeel en de daaraan ten grondslag liggende motivering als opgenomen in de aangevallen uitspraak.

De door appellant ter zitting naar voren gebrachte grief dat de procedure zodanig lang heeft geduurd dat de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bedoelde termijn is overschreden treft wel doel.

Tussen parijen is niet in geding dat vorenbedoelde termijn start in augustus 2003. De Raad doet op 25 april 2008 in hoger beroep uitspraak.

De procedure heeft mitsdien 4 jaar en ruim 8 maanden geduurd. De Raad is van oordeel dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn is overschreden, waarbij in aanmerking is genomen dat deze zaak niet als complex is aan te merken en in de opstelling van appellant geen rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure. De vertraging in de besluitvorming is met name veroorzaakt door het bij het Uwv in het ongerede raken van het dossier van appellant.

Nu het Uwv eerst bij ongedateerd besluit, verzonden aan de gemachtigde van appellant bij brief van 28 juni 2005 (hierna het besluit van 28 juni 2005) een beslissing op het bezwaar van appellant van augustus 2003 heeft genomen en mitsdien voor het nemen van het besluit op bezwaar een termijn van 1 jaar en ruim 10 maanden nodig heeft gehad, is de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM naar het oordeel van de Raad geheel een gevolg van een – door het Uwv erkende – niet-verontschuldigbare traagheid van besluitvorming door het bestuursorgaan.

Het Uwv heeft ter zitting desgevraagd erkend dat het besluit van 28 juni 2005 onrechtmatig is en appellant ter compensatie van ervaren spanning en frustratie recht op vergoeding van immateriële schade heeft.

De Raad is gelet op de onderhavige duur van de termijnoverschrijding van oordeel dat appellant een vergoeding van immateriële schade toekomt van € 1.400,-. Deze schadevergoeding dient te worden betaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Onder de vorengeschetste omstandigheden dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd, het beroep gegrond te worden verklaard en het besluit van 28 juni 2005 wegens strijd met artikel 6 van het EVRM te worden vernietigd. De Raad zal de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juni 2005 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade aan appellant ten bedrage van € 1.400,-

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarvan € 644,- aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008.

(get.) J. Brand.

(get.) M. van der Vos.

TM