Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
07-2169 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit. Nieuwe feiten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2169 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 2 maart 2007, kenmerk 05/1102 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstuut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. Moeliker, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 13 maart 2008 heeft mr. Moeliker een nadere memorie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2008. Appellant heeft zich met voorafgaand schriftelijk bericht niet doen vertegenwoordigen, terwijl namens het Uwv is verschenen mr. W.P.F. Oosterbos, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.

Op 4 augustus 1997 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 24 november 1997 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift heeft appellant om hem moverende redenen ingetrokken. Op 10 februari 2005 heeft appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 maart 2004, LJN: AO6566, verzocht om op het besluit van 24 november 1997 terug te komen. Dit verzoek heeft het Uwv bij besluit van 9 mei 2005 afgewezen omdat niet gesproken kan worden van nieuwe feiten en of omstandigheden. Het tegen dit besluit gericht bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 14 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. In hetgeen namens appellant is aangevoerd heeft de rechtbank geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als vorenbedoeld kunnen vinden en heeft derhalve het beroep ongegrond verklaard.

Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd komt er op neer dat het Uwv het herzieningsverzoek inhoudelijk in behandeling had moeten te nemen. Daarnaast dient de jurisprudentie waarnaar verwezen wordt als nova gezien te worden aangezien die specifiek ziet op de situatie van appellant ten tijde van zijn aanvraag om een uitkering ingevolge de WW. Tevens zou appellant destijds door het Uwv geadviseerd zijn om het bezwaar gericht tegen het besluit van 24 november 1997 in te trekken. Voorts is namens appellant, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 juni 2006, LJN: AX9131, naar voren gebracht dat de rechtbank van haar beoordelingsvrijheid gebruik had moeten maken om het bestreden besluit te toetsen aan het gelijkheidsbeginsel. Tot slot is van de zijde van appellant, onder verwijzing naar een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 8 november 2006, LJN: AZ2301, gesteld dat de toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geval discutabel is.

De Raad overweegt het volgende.

Het thans aan de orde zijnde verzoek strekt ertoe dat het Uwv van een in rechte onaantastbaar besluit terugkomt.

De Raad stelt voorop dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een verzoek van belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Anders dan namens appellant is gesteld dient de bestuursrechter dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zoja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ingevolge de jurisprudentie van de Raad (verwezen word naar onder meer de uitspraak van de Raad van 6 november 2003, LJN: AN7838) mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. De (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit speelt op zichzelf geen beslissende rol (uitspraak van de Raad van 4 december 2003, LJN: AN9805).

Ter ondersteuning van het verzoek is aangevoerd dat appellant in 1997 niet kon weten dat het tot 2004 zou duren alvorens in rechte zou worden vastgesteld dat hij beschouwd moest worden als werknemer. Gelet op de uitspraak van de Raad van 27 september 2001, LJN: AD5307, waarin de Raad heeft uitgesproken dat inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen grond vormt voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten waartegen geen beroep bij de rechter is ingesteld, gaat het daarbij echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het Uwv was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering te verwijzen naar het besluit van 24 november 1997. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Met het Uwv is de Raad van oordeel dat hier geen sprake is van een ambtshalve genomen beslissing, maar van een beslissing op aanvraag. Op een dergelijke beslissing is artikel 4:6 van de Awb van toepassing en dient er voor de honorering van een verzoek zoals namens appellant is gedaan sprake te zijn van nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

De stelling van appellant dat destijds van de zijde van het Uwv geadviseerd zou zijn om het bezwaar gericht tegen het besluit van 24 november 2007 in te trekken vindt geen steun in de gedingstukken. Ter zitting van de Raad is dit namens het Uwv ook met klem weersproken en is uit een telefoonrapport van 29 oktober 1997 geciteerd. Daaruit blijkt dat een medewerker van het Uwv met appellant gesproken heeft over werknemerschap, het opheffen van de vennootschap van appellant en de ingestelde loonvordering. Niet gebleken is dat toen reeds geadviseerd zou zijn geen bezwaar te maken dan wel het bezwaar in te trekken, hetgeen trouwens gelet op de datum van het besluit feitelijk ook niet mogelijk zou zijn.

Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2008.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Badermann.

AR