Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
06-3051 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Maatmankeuze juist?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, geldigheid: 2008-04-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3051 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 april 2006, 05/1321 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.A.K.J. de Roock, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2008. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.R.H. Barendregt.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als zelfstandig garagehouder. Met ingang van 30 september 1989 is aan hem in verband met klachten aan zijn rechter hand, als gevolg waarvan hij beperkt was ten aanzien van het verrichten van monteurwerkzaamheden, een uitkering uit hoofde van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend. Deze uitkering is met ingang van 1 januari 1998 voortgezet als een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Appellant heeft zijn garagebedrijf op 1 maart 1997 verkocht aan [naam automobielbedrijf], waarna hij met ingang van diezelfde datum op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als adviseur in dienst is getreden van dit bedrijf. Op 25 augustus 1997 - een week voor het aflopen van zijn dienstverband - heeft appellant zich met toegenomen klachten ziek gemeld. Met ingang van 24 augustus 1998 is aan hem een uitkering op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Bij besluit van 19 november 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 december 2003 ingetrokken op de grond dat appellant, rekening houdend met zijn beperkingen, geschikt is voor zijn eigen werk als adviseur. Bij besluit van 23 april 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

In haar uitspraak van 26 april 2005 heeft de rechtbank het besluit van 23 april 2004 vernietigd. De rechtbank heeft de medische grondslag van het besluit onderschreven. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank - kort samengevat - vastgesteld dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom appellant met ingang van 1 december 2003 geschikt was tot het verrichten van zijn eigen werk, terwijl uit de gedingstukken bovendien niet duidelijk is geworden waaruit appellants werkzaamheden laatstelijk precies bestonden.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv op 30 juni 2005 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit) genomen. Bij dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank van oordeel is dat het Uwv thans voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat appellants maatgevende arbeid moet worden geduid als adviseur/verkoper.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek van het Uwv naar de maatgevende arbeid en zijn geschiktheid voor de maatgevende arbeid onvoldoende is. Volgens appellant heeft het Uwv niet duidelijk kunnen maken waaruit appellants werkzaamheden precies bestonden en of zijn eigen werk thans nog wel voorhanden is bij een andere werkgever.

Het Uwv heeft haar eerdere standpunt, dat het werk als adviseur/verkoper het beste aansluit bij de beschrijving van het maatgevende werk in eerdere arbeidsdeskundige rapporten en bij hetgeen appellant tijdens de hoorzitting van 2 maart 2004 heeft verklaard, herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat partijen in dit geding niet twisten over de vraag of de belastbaarheid van appellant juist is vastgesteld, maar dat het geschil zich beperkt tot de vraag of het Uwv de juiste maatgevende arbeid heeft gehanteerd. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv nog steeds onvoldoende heeft onderbouwd wat de maatman is waartegen het Uwv de beperkingen van appellant heeft afgezet. Wat de laatstelijk, voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid, verrichte werkzaamheden zijn, is uit de gedingstukken niet eenduidig af te leiden. Uit de gedingstukken blijkt tevens dat het Uwv diverse onderling tegenstrijdige stellingen heeft betrokken ten aanzien van het laatst verrichte werk. Appellant zou niet over de noodzakelijke vaardigheden beschikken voor de inzet in verkoop en magazijn, terwijl appellant evenmin, vanwege zijn beperkingen, onderhoudswerkzaamheden verrichtte. Die stellingen zijn niet te rijmen met andere gegevens in het dossier waaruit volgt dat het Uwv appellant daartoe – in ieder geval gedeeltelijk – in staat achtte. Daarbij wijst de Raad er nog op dat het feit dat appellant niet in alle opzichten kwalificeerde voor een functie of daarin minder succesvol optrad, niet betekent dat daardoor de maatman verandert. De maatman is immers het laatstelijk uitgeoefende werk. Dat de werkgever over de kwaliteit van dat werk niet te spreken is, is geen reden om uit te gaan van een andere maatman. De Raad wijst er daarbij tevens op dat appellant reeds jaren een eigen garagebedrijf had zodat niet goed valt in te zien waarom hij in zijn nieuwe werkkring zijn oude, vergelijkbare werkzaamheden niet zou kunnen voortzetten. Onjuist is de in hoger beroep betrokken stelling van het Uwv dat als maatman moet worden aangemerkt de zelfstandig ondernemer die zijn zaak verkoopt en daarbij een tijdelijke arbeidsovereenkomst bedingt aangezien dat immers een beschrijving geeft van de juridische verhouding ter zake van de verkoop van een bedrijf en niet een beschrijving van een activiteit die een verzekerde al dan niet in een zelfstandig beroep of bedrijf kan uitoefenen. Het Uwv zal derhalve een nieuw onderzoek naar de maatman dienen te verrichten.

Met betrekking tot de maatmankeuze stelt de Raad voorop dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid volgens vaste rechtspraak in beginsel als maatman dient te worden aangemerkt degene die dezelfde functie uitoefent als die welke de verzekerde laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid vervulde, waarbij hetgeen door die persoon wordt verdiend als uitgangspunt voor de berekening van het maatmanloon moet worden genomen.

Het voorgaande leidt ertoe dat het Uwv naar het oordeel van de Raad niet op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2005 en dat de aangevallen uitspraak om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De proceskosten worden derhalve in totaal begroot op € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en H.G. Rottier en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) E.M. de Bree.

JL