Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0836

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
06/2739 WAO, 07/6991 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Arbeidskundige component niet aan te merken als zelfstandig deelbesluit. Arbeidskundige toelichting onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2739 en 07/6991 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 april 2006, 05/3752 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 18 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en arbeidskundige rapporten van 22 januari 2007 en 22 november 2007 ingezonden.

Tevens heeft het Uwv een nader besluit genomen van 2 oktober 2007. De brief waarmee hiertegen beroep is ingesteld en het daartegen gerichte verweerschrift zijn aan de Raad doorgestuurd.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 maart 2008. Namens appellant is mr. Van der Zouwen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 7 september 2005 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 27 april 2005 tot de beëindiging van de eerder aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 28 juni 2005. De reden is dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is afgenomen tot minder dan 15%.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is het besluit van 2 oktober 2007 genomen. Daarbij is andermaal gehandhaafd het besluit van 27 april 2005. Het beroep wordt geacht zich mede te richten tegen het besluit van 2 oktober 2007.

Appellant heeft zijn belang bij de beoordeling van het hoger beroep behouden, aangezien hij heeft gevraagd om vergoeding van de door hem geleden schade.

De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat de uit ziekte of gebrek voor hem voortvloeiende arbeidsbeperkingen in de door de verzekeringsarts opgestelde zogenaamde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn onderschat. Niettemin heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat in het dossier geen aangepaste FML aanwezig is en evenmin een lijst met de normaalwaarden inclusief interpretatiekader. Daarom mist de schatting een toereikend niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid.

De Raad gaat uit van de feiten zoals de rechtbank deze aan haar uitspraak ten grondslag heeft gelegd en waarvan partijen de juistheid niet hebben bestreden.

De rechtbank heeft het arbeidskundige gedeelte van het bestreden besluit vernietigd. Naar het ambtshalve oordeel van de Raad leent dit deel van het bestreden besluit zich niet voor afzonderlijke vernietiging en kan reeds om die reden de aangevallen uitspraak geen stand houden. In zijn uitspraak van 16 maart 2005, LJN AT1852, heeft de Raad al overwogen dat de arbeidskundige component van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet valt aan te merken als een zelfstandig deelbesluit. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, aanknopingspunten om aan te nemen dat de verzekeringsartsen de uit ziekte of gebrek voor betrokkene voortvloeiende arbeidsbeperkingen hebben onderschat. Ook de Raad gaat daarmee uit van de juistheid van de FML.

De Raad acht echter onvoldoende door het Uwv toegelicht dat de belasting in de geselecteerde functies in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellant. De (bezwaar)verzekeringsartsen gaan er van uit dat door ziekte of gebrek het rechterbeen in gestrekte positie moet worden gehouden. Appellant is aangewezen op zittend werk. Hij moet daarbij zijn rechterbeen op een steunbankje kunnen leggen. Appellant verplaatst zich met de hulp van twee krukken. Uit het resultaat functiebeoordeling komt naar voren dat appellant in de functie soldering technician twee maal per dag racks met printplaten moet ophalen. De eerste monteur in een fabriek voor doorstroommeters moet een voetpedaal bedienen. De stekstekers moeten lopend hun werkvoorraad aanvullen, zij houden met collega’s hun werkplek op orde en moeten soms wat langer staan, bijvoorbeeld in verband met opruimklusjes. Door de arbeidsdeskundige is een toelichting gegeven op het ophalen van de racks met printplaten, namelijk dat het incidentele handelingen betreft. Die toelichting is voor de Raad niet toereikend. Op de andere aspecten ontbreekt een arbeidskundige toelichting. Daarom ontbreekt een voldoende draagkrachtige motivering. Artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht is daarmee geschonden.

Over de gevraagde schadevergoeding kan de Raad thans geen oordeel geven. Het oordeel daarover hangt immers af van de nader op het bezwaar te nemen beslissing. In die beslissing zal het Uwv mede aandacht moeten geven aan het verzoek tot schadevergoeding.

De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het inleidende beroep zal de Raad gegrond verklaren. De besluiten van 7 september 2005 en 2 oktober 2007 zal de Raad vernietigen. Het Uwv wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant.

De Raad ziet tevens aanleiding om het Uwv in de proceskosten te veroordelen, aan de zijde van appellant wegens de hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor het geding in eerste aanleg, en € 644,- voor het hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de besluiten van 7 september 2005 en 2 oktober 2007;

Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellant en daarbij deze uitspraak in acht neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

JL