Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0824

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
05-3406 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Urenbeperking aangewezen? Vermoeidheidsklachten na oncologische ingreep voldoende geobjectiveerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3406 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 4 april 2005, 03/2877 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. ir. C.J. Kapteyns, wonende te Boxmeer, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer schriftelijk gereageerd op elkaars standpunt.

Desgevraagd heeft prof. dr. E. Boven, medisch oncoloog te Amsterdam, een schriftelijk verslag van het onderzoek, gedateerd 17 september 2007, aan de Raad uitgebracht.

Beide partijen hebben op dit rapport gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Kapteyns.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene was werkzaam als koffiejuffrouw en keukenmedewerkster toen zij zich op 16 februari 1999 ziek meldde met rugklachten. Tijdens het Ziektewetjaar werd in augustus 1999 bij betrokkene borstkanker ontdekt, waarvoor zij werd behandeld met een operatie en chemotherapie. Aan betrokkene is, na afloop van de wettelijke wachttijd, met ingang van 15 februari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een herbeoordeling is betrokkene op 26 juni 2002 en 19 augustus 2002 onderzocht door de verzekeringsgeneeskundige A. de Jong. Volgens het rapport van dit onderzoek van 26 juni 2002 was betrokkene weer belastbaar voor arbeid, waarbij rekening moest worden gehouden met een verminderde functie van de linkerarm. Tot het beperken van het aantal werkuren in verband met de moeheidsklachten van betrokkene zag de verzekeringsarts geen aanleiding. Zij stelde een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 augustus 2002 op. De van de behandelend chirurg op 20 september 2002 en 8 oktober 2002 ontvangen informatie gaven de verzekeringsarts geen aanleiding de FML te wijzigen. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding berekend dat geen verlies aan verdienvermogen resteerde. Dienovereenkomstig nam appellant op 22 oktober 2002 het besluit waarbij de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 12 december 2002 werd ingetrokken.

In de bezwaarprocedure nam de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie kennis van de informatie van 24 februari 2003 van de behandelend chirurg van betrokkene, van de brief van 27 mei 2003 van de orthopedisch chirurg en de brief van 25 april 2003 van de neuroloog. Verder onderzocht Debie betrokkene op 23 juni 2003. In zijn rapport van 24 juni 2003 concludeerde hij dat de beperkingen in de FML adequaat waren vastgesteld en pasten bij de medische situatie van betrokkene en dat voor verdergaande beperkingen geen onderbouwing aanwezig was.

Bij besluit van 26 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) verklaarde appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 22 oktober 2002 ongegrond.

In beroep heeft betrokkene onder meer een brief van 6 september 2004 van de verpleegkundig specialist oncologie overgelegd, die betrokkene mede in verband met haar vermoeidheidsbeleving niet geschikt acht voor deelname aan het arbeidsproces.

De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat appellant met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen. De rechtbank gaf tevens beslissingen over vergoeding aan betrokkene van het griffierecht en de proceskosten. De rechtbank was van oordeel dat de vermoeidheidsklachten van betrokkene in voldoende mate geobjectiveerd waren en dat appellant onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen die betrokkene ondervindt vanwege die vermoeidheid en onvoldoende heeft onderbouwd waarom geen urenbeperking is aangenomen.

In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar een rapport van 24 mei 2005 van de bezwaarverzekeringsarts Debie, aangevoerd dat de vermoeidheidsklachten van betrokkene niet objectiveerbaar zijn en dat het feit dat die klachten door de behandelend sector herhaaldelijk genoteerd zijn niet kan worden beschouwd als door medisch deskundigen naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvattingen op grond waarvan voor betrokkene een medische urenbeperking vastgesteld dient te worden. De bezwaarverzekeringsarts is voorts van mening dat er geen sprake is van een causaal verband tussen de ervaren vermoeidheidsklachten en de (behandeling van) kanker.

De Raad overweegt als volgt.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient artikel 18 van de WAO zo uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven.

In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum) eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten.

De door de Raad geraadpleegde deskundige prof. dr. E. Boven heeft in haar rapport van 17 september 2007 gesteld dat er naast de anamnese en een vermoeid gelaat geen objectiveerbare verschijnselen zijn die de moeheid van betrokkene kunnen verklaren. De deskundige is er niet van overtuigd dat de vermoeidheid aan het kankerproces en de behandeling kan worden toegeschreven. In dit verband merkt zij op dat een tumor in de borst niet tot moeheid leidt wanneer er slechts sprake is van een locale ziekte en nog geen behandeling heeft plaatsgevonden en dat betrokkene moe werd toen zij de knobbel in de borst ontdekte. Naar het oordeel van de deskundige duidt de moeheid veel meer op emotionele “distress”, die niet goed uit te drukken valt in de mate van arbeidsongeschiktheid. De deskundige kan zich in grote lijnen vinden in het rapport van 24 mei 2005 van de bezwaarverzekeringsarts Debie. Zij is echter wel van mening dat, gezien de leeftijd van betrokkene bij het ontdekken van borstkanker, waarvoor operatie en aanvullende chemotherapie, wel rekening moet worden gehouden met een urenbeperking, wanneer tevoren sprake was van een voltijdse baan.

De Raad stelt vast dat noch in het rapport van de deskundige noch in de overige gedingstukken, waaronder de informatie van de behandelend sector, een objectieve oorzaak voor de vermoeidheid van betrokkene wordt aangegeven. De behandelend sector rapporteert de vermoeidheidsklachten van betrokkene wel, maar spreekt niet daadwerkelijk de opvatting uit dat er verband is met de kanker(behandeling). De deskundige stelt met zoveel woorden er niet van overtuigd te zijn dat de vermoeidheid aan het kankerproces en de behandeling kan worden toegeschreven. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de Raad niet voldaan aan het hiervoor weergegeven objectiveringscriterium. Met de bezwaarverzekeringsarts is de Raad verder van mening dat de leeftijd van betrokkene niet aangemerkt kan worden als ziekte of gebrek, zodat op die grond evenmin een reden bestaat tot het aanbrengen van een urenbeperking of zelfs het oordeel dat betrokkene geheel arbeidsongeschikt moet worden geacht.

De Raad heeft, mede gelet op het rapport van de deskundige, geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de FML geen juiste weergave vormt van de arbeidsmogelijkheden van betrokkene op de in geding zijnde datum.

Aldus uitgaande van de juistheid van de bij betrokkene vastgestelde medische beperkingen, heeft de Raad geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de door de arbeidskundige geselecteerde en aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet passend zouden zijn. Daarbij neemt hij in aanmerking dat bezwaararbeidsdeskundige W.A.M.H. Heijmans in zijn rapport van 20 januari 2004 nader heeft toegelicht waarom de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaat.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit stand houdt. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is vernietigd, moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit moet ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Lochs.

TM