Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0822

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
07-2653 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet ontvankelijk verklaring wegens overschrijding bezwaartermijn terecht? Bekendmaking besluit. Is dagtekening primair besluit gelijk aan dag van verzending? Precieze dag van bezorging bezwaarschrift?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2653 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2007, 06/2681 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [werkgeefster] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Mr. J.C. Duvekot, advocaat te Amsterdam, heeft namens betrokkene een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2008. Voor appellant is verschenen drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene en zijn gemachtigde zijn - met kennisgeving - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 14 februari 2006 heeft appellant de aan betrokkene verleende bijstand over de periode van 4 september 1999 tot en met 30 juni 2004 ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 57.283,75 van hem teruggevorderd.

Bij brief van 27 maart 2006, verzonden per Falk Courier, heeft mr. Duvekot namens betrokkene bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 februari 2006.

Bij besluit van 4 mei 2006 heeft appellant het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 4 mei 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant inhoudelijk op het bezwaar van betrokkene dient te beslissen.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Die bekendmaking geschiedt op grond van artikel 3:41 van de Awb door toezending of uitreiking van het besluit, of indien dat niet kan, op een andere geschikte wijze, aan belanghebbenden.

Een bezwaarschrift is ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Vast staat dat het primaire besluit door betrokkene is ontvangen via TPG Post.

Dit betekent dat de bezwaartermijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan het besluit ter post heeft bezorgd. In de (pas in hoger beroep door het College overgelegde) brief van mr. Duvekot van 6 april 2006 is aanstonds betwist dat het nemen en de verzending van het primaire besluit op dezelfde dag hebben plaatsgevonden. Het beroepschrift met bijlagen van 19 mei 2006 noemt als eerste bezwaar dat de gemeente een datum stempelt op brieven “welke - afgeleid uit een stelmatige ontvangst 4 dagen later - niet op die stempeldag worden verzonden”. Appellant heeft zowel in beroep als in hoger beroep vastgehouden aan zijn standpunt dat de eerste dag van de termijn in dit geval was 15 februari 2006 en zes weken later eindigde op 28 maart 2006. Op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift was die termijn volgens appellant al verlopen.

De Raad volgt appellant daarin niet. Het primaire besluit is gedagtekend met een datumstempel en een handgeschreven datum (beide: 14 februari 2006) maar vermeldt (in tegenstelling tot het besluit op bezwaar) niet de dag van verzending. Bewijs over de dag waarop het primaire besluit voor niet-aangetekende verzending daadwerkelijk aan TPG Post is aangeboden ontbreekt in het dossier. Uit hetgeen ter zitting door de gemachtigde van appellant desgevraagd is meegedeeld leidt de Raad af dat een medewerker van de subafdeling Handhaving van de afdeling Terugvordering en Verhaal het primaire besluit heeft gedagtekend en dat er op de betreffende postkamer geen verzendregister was. Een en ander betekent dat in dit geval niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar op 15 februari 2006 is aangevangen.

Partijen twisten voorts over de precieze dag waarop het bezwaarschrift ten stadhuize is bezorgd. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen blijkt dit niet voldoende uit het dossier, ook niet uit de door de gemachtigde van betrokkene overgelegde brief van Falk Courier van 11 mei 2006. Vast staat wel dat het bezwaarschrift op 29 maart 2006, dus binnen zes weken na 16 februari 2006, door de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam van een ontvangststempel is voorzien.

Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is er naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om betrokkene tegen te werpen dat hij de termijn voor het maken van bezwaar heeft overschreden.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking. Appellant dient alsnog de door de rechtbank gegeven opdracht tot het nemen van een inhoudelijk besluit op bezwaar uit te voeren.

De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 322,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat van de gemeente Amsterdam een recht wordt geheven van € 428,--.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en K. Zeilemaker en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) W. Altenaar.

RB