Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0720

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
07-744 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering voortzetting bijzondere bijstand voor therapiekosten. Voorziening krachtens ZFW en AWBZ kunnen worden gezien als een passende en voorliggende voorziening. Geen dringende reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/744 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2007, 05/3871 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.H. Kablan hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 maart 2008, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante lijdt aan een chronische psychiatrische aandoening (eetstoornis) waarvoor zij onder behandeling is bij het Instituut voor Mentaal Emotieve Training (hierna: IMET). Het College heeft appellante gedurende de periode 1 juni 2001 tot en met 31 mei 2004 bijzondere bijstand verleend voor de therapiekosten bij het IMET. Op 12 maart 2004 heeft appellante het College verzocht om voortzetting van de bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor therapiekosten met ingang van 1 juni 2004. Voorts is het College bij brief van 26 maart 2004 verzocht om verhoging van de behandelintensiteit van de therapieën. In een advies van 8 juni 2004 heeft de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst Amsterdam (GG&GD) aangegeven dat de gevraagde voorziening van dermate hoog kostenniveau is dat dient te worden gezocht naar een alternatief in de reguliere voorzieningensfeer. De GG&GD heeft verder geadviseerd de behandeling bij het IMET te continueren tot het moment waarop appellante wordt overgeplaatst naar een reguliere dagbehandeling.

Bij besluit van 28 juni 2004 heeft het College conform het advies van de GG&GD van 8 juni 2004 aan appellante meegedeeld dat de therapiekosten voorlopig - voor de periode van 1 juni 2004 tot en met 30 september 2004 - worden vergoed en bepaald dat ondertussen gezocht moet worden naar een behandeling in de reguliere sfeer.

Op 22 november 2004 heeft appellante een aanvraag om voortzetting van de bijzondere bijstand voor therapiekosten ingediend. Bij besluit van 4 januari 2005 heeft het College de aanvraag van appellante afgewezen.

Bij besluit van 7 april 2005 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 januari 2005 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het College overwogen dat het ziekenfonds voor de kosten van psychotherapie kan worden gezien als een passende en voorliggende voorziening.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 7 april 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd het noodzakelijk te achten de psychotherapie bij het IMET voort te zetten omdat zij met deze therapie vooruitgang boekt. Voorts stelt appellante dat zij geen gebruik wenst te maken van therapieën in het reguliere circuit.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat voor de kosten van medische zorg de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten in beginsel als aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen dienen te worden beschouwd zodat artikel 15, eerste lid van de WWB in de weg staat aan de verlening van bijzondere bijstand voor de gevraagde kosten en dat er voorts geen sprake is van een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. De Raad onderschrijft ook de overwegingen waarop dat oordeel berust. Ook in hetgeen in hoger beroep nog is aangevoerd ziet de Raad geen zeer dringende redenen. Het College heeft de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook terecht afgwezen.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 april 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

RB