Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0718

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
06-4747 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geschiktheid voor maatgevende functie. Voldoende medisch onderzoek?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4747 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2006, 05/1696 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was laatstelijk werkzaam als secretaresse bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats], toen zij op 8 juni 1998 uitviel wegens buikklachten, spanningsklachten, vermoeidheidsklachten en gewrichtsklachten. Per einde wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

In het kader van een herbeoordeling is appellante op 23 september 2004 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts J.D. Klein Ovink. Deze komt op basis van de anamnese, eigen onderzoek en dossierstudie tot de conclusie dat er beperkingen gelden voor fysieke belasting. De verzekeringsarts heeft de beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige E. Voerman appellante blijkens zijn rapportage van 8 november 2004 geschikt geacht voor haar eigen (maatgevende) werk als secretaresse, waarna het Uwv bij besluit van 10 november 2004 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 9 januari 2005 heeft ingetrokken.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar heeft in haar rapport van 3 juni 2005 de bevindingen van de verzekeringsarts Klein Ovink onderschreven, waarna het Uwv het bezwaar van appellante bij besluit van 9 juni 2005 (het bestreden besluit) ongegrond heeft verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, geen reden is om de juistheid van de medische beperkingen in twijfel te trekken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat appellante door de betrokken verzekeringsartsen is onderzocht. De rechtbank heeft in het bijzonder nog aandacht besteed aan de door appellante in beroep overgelegde informatie van de reumatoloog dr. G.H.C. Schardijn en de neuroloog dr. F.W. Bertelsmann.

De rechtbank is van oordeel dat appellante, gelet op de vastgestelde beperkingen, geschikt is voor haar maatgevende werk als secretaresse en dat de functie secretaresse, zoals appellante die verrichtte, met de daarbij behorende beloning in voldoende mate elders op de arbeidsmarkt voorkomt.

In hoger beroep voert appellante aan dat zij lijdt aan de ziekte van Sjögren en zij voorts chronische pijnklachten en een chronisch vermoeidheidssyndroom heeft. Hierdoor is zij totaal niet in staat om arbeid te verrichten. De verzekeringsarts heeft volgens appellante al haar klachten, evenals de brief van de reumatoloog Schardijn, volkomen genegeerd. Appellante stelt verder dat zij inmiddels volledig afhankelijk is van medicijnen. Ter onderbouwing overlegt appellante een afleverhistorie van de medicijnen over de periode 10 augustus 2005 tot en met 1 augustus 2006.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad kent -evenals de rechtbank- doorslaggevende betekenis toe aan de rapporten van de verzekeringsarts Klein Ovink en de bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar. Naar het oordeel van de Raad is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest en is in de FML in voldoende mate rekening gehouden met de klachten en vastgestelde beperkingen van appellante. Uit de stukken blijkt dat op verzoek van bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar informatie is verkregen van reumatoloog dr. G.H.C. Schardijn en longarts K. Bolt en dat deze informatie is betrokken bij het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante na afloop van de hoorzitting lichamelijk onderzocht en vervolgens geconcludeerd dat de FML aansluit bij het klinisch beeld en de diagnose. In hoger beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts H.B.M. Hesse in een rapport van 18 februari 2008 in het bijzonder nog aandacht besteed aan de gynaecologische klachten en de sinds januari 2004 bestaande longaandoening. De bezwaarverzekeringsarts is van oordeel dat de gynaecologische klachten (dysfunctionele bloedingen) op de datum in geding, te weten 9 januari 2005, geen arbeidsbeperkingen opleveren en dat appellante op de datum in geding voorts geen energetische beperkingen ondervond als gevolg van de longaandoening. Mede gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de onderzoeken door de (bezwaar)verzekeringsartsen als onvoldoende of onzorgvuldig zouden moeten worden gekenschetst.

Hetgeen appellante in hoger beroep en ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Hierbij merkt de Raad nog op dat appellante in hoger beroep geen medische informatie heeft ingebracht die een ander licht werpt op haar gezondheidstoestand ten tijde van de datum hier in geding.

De Raad overweegt voorts dat uit de arbeidskundige rapportages genoegzaam is gebleken dat de maatmanfunctie, mede gelet op de FML en de niet door appellante betwiste, zich onder de stukken bevindende beschrijving van de functie, berekend is voor de belastbaarheid van appellante. Zoals de Raad vaker heeft overwogen, rechtvaardigt geschiktheid voor de maatmanfunctie in beginsel de vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Uit de stukken blijkt dat onderzoek is gedaan naar de maatgevende functie bij de (ex-)werkgever, die als zodanig nog bestond en dat vervolgens is geconcludeerd dat appellante met de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen haar eigen werkzaamheden kan verrichten.

Gelet op al het vorenstaande is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij haar maatgevende functie niet zou kunnen verrichten. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.R. van der Vos.

JL