Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0714

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
07-2 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op ZW-uitkering. Niet (meer) ongeschikt voor zijn arbeid. Onderzoek zorgvuldig en volledig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 november 2006, 06/1166 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Aarts.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was laatstelijk werkzaam als systeembeheerder toen hij zich op 20 januari 2005 ziek meldde wegens diverse klachten. Nadien heeft appellant zijn werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis hervat voor 4 tot 6 uur per dag. Het dienstverband is op 1 oktober 2005 wegens economische gronden beëindigd. In het kader van de ziekmelding op 20 januari 2005 is appellant op 8 december 2005 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts L.I. Cools. De verzekeringsarts komt na eigen onderzoek en telefonisch contact met de bedrijfsarts en de huisarts tot de conclusie dat sprake is van spanningsklachten. Er zijn geen relevante beperkingen in het functioneren. De verzekeringsarts verklaart appellant per

12 december 2005 volledig geschikt voor zijn eigen werk.

Bij besluit van 8 december 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 12 december 2005 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en dat hij vanaf die datum geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff onderschrijft in de rapportage van 24 januari 2006 de conclusie van de verzekeringsarts. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 26 januari 2006 (het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant geen nadere informatie heeft overgelegd die aanleiding geeft tot twijfel met betrekking tot de bevindingen van de verzekeringsartsen. Voor zover de klachten van appellant zien op de psychosociale problematiek onderschrijft de rechtbank hetgeen de bezwaarverzekeringsarts daaromtrent in de rapportage van 24 maart 2006 heeft opgemerkt, in die zin dat dergelijke klachten geen rol kunnen spelen in de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad ziet geen reden te twijfelen aan de conclusies van de betrokken verzekeringsartsen, die in hun rapportages blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de verzekeringsarts Cools bij onderzoek van de psyche geen beperking heeft geconstateerd op het vlak van de claimklacht, het niet kunnen concentreren of verdelen van de aandacht. De bezwaarverzekeringsarts Van Hooff heeft appellant aansluitend aan de hoorzitting tevens psychisch onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts komt in haar rapport van 24 januari 2006 tot de conclusie dat er sprake is van spanningsklachten wegens allerlei (sociale) problemen, maar dat geen sprake is van een psychische stoornis. Ten aanzien van de in beroep overgelegde verklaring van de huisarts H.J. Weltevrede van 10 april 2006 onderschrijft de Raad het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Van Hooff, zoals vermeld in haar rapport van 12 mei 2006. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt voor de Raad geen reden voor een ander oordeel. Daarbij merkt de Raad op dat appellant in zijn beroepschrift stelt dat hij is verwezen naar de GGZ en inmiddels een verklaring heeft gekregen van zijn huisarts, doch geen verklaring heeft overgelegd, noch anderszins het beroep heeft onderbouwd met nadere medische gegevens die aanleiding zouden kunnen geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid en volledigheid van de onderzoeken en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MK