Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
05-5376 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Voldoende rekening gehouden met de vele klachten van betrokkene via het opnemen van een groot aantal beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5376 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 juli 2005, 03/838 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Bakker, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft de eerste maal plaatsgevonden op 11 mei 2007. Voor appellant is mr. J.R. Beukema, verbonden aan de Juricon Adviesgroep B.V. te Assen, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters.

Teneinde mr. Beukema de gelegenheid te bieden de gronden van het hoger beroep aan te vullen, heeft de Raad vervolgens het vooronderzoek heropend.

De genoemde opvolgend gemachtigde van appellant heeft, onder overlegging van een rapport van een op zijn verzoek bij appellant verricht neuropsychologisch onderzoek, de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Als nader verweer heeft het Uwv een reactie op deze expertise van zijn bezwaarverzekeringsarts overgelegd.

Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beukema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

Appellant is werkzaam geweest als medewerker groenvoorziening. Terwijl hij aansluitend aan die werkzaamheden een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, heeft hij zich op 10 oktober 2001 ziekgemeld met whiplash-klachten als gevolg van een auto-ongeval een dag eerder.

Bij besluit van 3 september 2002 heeft het Uwv geweigerd appellant aansluitend aan de wettelijke wachttijd van 52 weken per 8 oktober 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden geacht.

Bij besluit van 15 juli 2003 zijn de bezwaren van appellant tegen het besluit van 3 september 2002 ongegrond verklaard. Aan de intrekking van de uitkering ligt ten grondslag dat appellant weer in staat wordt geacht om met zijn beperkingen in voor hem geschikte gangbare functies een zodanig loon te verdienen, dat zijn verlies aan verdiencapaciteit minder bedraagt dan 15%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 juli 2003 vernietigd, maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven, met veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant en met de bepaling dat aan hem het griffierecht dient te worden vergoed. De rechtbank kan zich verenigen met de voor appellant door het Uwv aangenomen arbeidsbeperkingen, maar is van oordeel dat het Uwv pas in de beroepsfase voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting van de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellant blijft.

In hoger beroep heeft appellant, samengevat, doen aanvoeren dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat, dat ten onrechte geen urenbeperking is geformuleerd, dat de bestreden weigering in medische zin onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de geselecteerde functies gelet op de aangenomen beperkingen voor appellant niet te zwaar zijn. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft de gemachtigde van appellant in hoger beroep informatie overgelegd van de appellant behandelende neuroloog, uroloog en revalidatiearts, alsmede een rapport d.d.

27 november 2007 van een op 25 september 2007 door de klinisch psycholoog

W.D. van der Zwaag uitgevoerd neuropsychologisch onderzoek bij appellant.

De Raad oordeelt als volgt.

Het hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het besluit van 15 juli 2003 in stand te laten. In dat verband bestrijdt appellant zowel het oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van dit besluit, als het oordeel omtrent de arbeidskundige grondslag.

Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. Deze beperkingen zijn opgenomen in de door de bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst van 16 mei 2003. De bezwaarverzekeringsarts had de beschikking over de rapporten van de (verzekerings)artsen Panday en Erkamp die appellant in april en augustus 2002 hebben onderzocht, en heeft appellant zelf tijdens de hoorzitting gesproken. Bij zijn oordeel heeft de bezwaarverzekeringsarts voorts informatie betrokken van diverse artsen die appellant hebben behandeld of onderzocht. De Raad is van oordeel dat via het opnemen van een groot aantal beperkingen met de vele klachten van appellant is rekening gehouden, en dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende overtuigend heeft gemotiveerd dat er geen reden bestaat om meer of zwaardere beperkingen op te nemen. Het namens appellant in hoger beroep overgelegde rapport d.d. 27 november 2007 van de klinisch psycholoog Van der Zwaag brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Deze rapporteert dat de scores van een aantal afgelegde tests niet valide en betrouwbaar zijn zodat hij geen oordeel kan geven over de cognitieve vermogens van appellant. Desondanks geeft hij wel aan dat hij appellant wegens zijn persoonlijksheidsproblematiek niet in staat acht werkzaamheden te verrichten c.q. dat sprake is van een sterk verhoogd afbreukrisico. Met de bezwaarverzekeringsarts is de Raad echter van oordeel dat het feit dat appellant in 2004 en 2005 stage heeft gelopen bij een gemeente en daar vervolgens gedurende een jaar in een tijdelijk dienstverband heeft gewerkt, niet pleit voor de stelling dat appellant in verband met zijn persoonlijkheidsproblematiek niet tot werken in staat is. Bovendien is met het opnemen van beperkingen ten aanzien van het persoonlijk functioneren van appellant wel degelijk rekening gehouden met een aantal klachten van appellant die samenhangen met zijn psychische constellatie. De stelling van appellant dat ten onrechte voor hem geen duurbeperking is opgenomen, nu hij regelmatig door onder meer een fysiotherapeut en een chiropractor wordt behandeld, wordt door de Raad niet onderschreven, nu dergelijke behandelingen naar het oordeel van de Raad in beginsel geacht moeten worden te kunnen worden gecombineerd met een voltijdse functie en niet is gebleken dat dat in het geval van appellant anders zou zijn.

Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het besluit, is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van appellant voor de hem voorgehouden functies met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam van 4 juni 2004, ook in het licht van de jurisprudentie van de Raad omtrent de motiveringsverplichting van het Uwv in het kader van het gebruik van het zogenoemde CBBS-systeem, voldoende is toegelicht.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

TM