Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0422

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
24-04-2008
Zaaknummer
07-4341 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nieuwe aanvraag. Herstelbeleid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROT 2010/133
RSV 2008, 161

Uitspraak

07/4341 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 11 juli 2007, 07/357 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellante.

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2007. Appellante was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar vader S.A. Teitsma.

II. OVERWEGINGEN

Bij bericht van 22 september 2006 heeft appellante de uitwonendenbeurs van betrokkene over de maanden maart 2005 tot en met december 2005 omgezet in een thuiswonendenbeurs. Dit bericht rust op de overweging dat betrokkene een formulier “Uitwonende Controle” niet had teruggestuurd.

Dit besluit is in rechte onaantastbaar.

Betrokkene heeft bij brief van 28 januari 2007 appellante – kort samengevat – medegedeeld dat zij in de periode van maart 2005 tot en met december 2005 uitwonend was en appellante verzocht over deze periode wederom een uitwonendenbeurs toe te kennen.

Bij bericht studiefinanciering 2005, nr. 5, gedateerd 16 februari 2007, heeft appellante betrokkene medegedeeld dat haar gegevens niet goed geregistreerd stonden en dat deze gegevens zijn aangepast.

In dit bericht is onder het kopje “Wijzigingen” vermeld:

Woonadres per 20 februari 2005: [adres 1]

Woonsituatie per 1 maart 2005: thuiswonend

Woonsituatie per 1 juni 2005: uitwonend

Woonsituatie per 1 augustus 2005: thuiswonend

Woonadres per 1 augustus 2005: [adres 2]

Betrokkene heeft tegen dit bericht bezwaar gemaakt. Zij acht het onjuist dat haar verzoek slechts is ingewilligd voor de maanden juni en juli 2005. Naar haar mening heeft zij met haar brief van 28 januari 2007 en de daarbij gevoegde bijlagen aangetoond dat zij ook in de maanden maart tot en met mei 2005 en augustus tot en met december 2005 uitwonend was.

Bij besluit van 15 maart 2007 heeft appellante het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft dit besluit doen steunen op de overweging dat het bericht voor zover dit ziet op de maanden maart tot en met mei 2005 en augustus tot en met december 2005 niet is gericht op rechtsgevolg, omdat er ten aanzien van die maanden geen verandering is opgetreden in de reeds vastgestelde situatie.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 15 maart 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellante opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en een beslissing genomen omtrent de vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft de aangevallen uitspraak – kort samengevat – doen steunen op de overweging dat het bericht van 16 februari 2007 wel is gericht op rechtsgevolg, omdat bij dat besluit appellante heeft geweigerd de haar toekomende bevoegdheid tot herziening van een rechtens vaststaand besluit toe te passen.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het bericht van 16 februari 2007 tot stand is gekomen op basis van haar – door de Raad in zijn uitspraak van 28 januari 2005, 02/916 WSF (LJN: AS5741) gesanctioneerde – herstelbeleid. Ingevolge dit beleid wordt de toelage die in het kader van een aantal controleacties is teruggevorderd ambtshalve hersteld ondanks dat er sprake is van een rechtens onaantastbaar geworden besluit. Voorwaarde voor de toepassing van dit beleid is dat binnen vijf jaar na de herziening bewijsstukken worden overgelegd waaruit naar het oordeel van appellante genoegzaam blijkt dat de studerende materieel recht heeft op de teruggevorderde toelage. Voorts wordt op grond van dit beleid uitsluitend een besluit genomen ten aanzien van die maand(en) met betrekking waartoe genoegzaam bewijs is overgelegd. Ten aanzien van maanden met betrekking waartoe geen bewijsstukken dan wel onvoldoende bewijsstukken zijn overgelegd wordt ingevolge dit beleid derhalve geen besluit afgegeven.

Voorts heeft appellante erop gewezen dat in het bericht van 16 februari 2007 weliswaar ook wordt vermeld over welke maanden geen herstel plaatsvindt, doch hieraan kan geen betekenis worden toegekend omdat dit slechts geschiedt om systeem-technische redenen.

De Raad overweegt als volgt.

Betrokkene heeft met haar brief van 28 januari 2007 appellante – zonder daartoe een specifieke grond aan te wijzen – verzocht over de gehele periode van maart 2005 tot en met december 2005 tot een ander besluit te komen dan is neergelegd in het bericht van 22 september 2006. Appellante is tot een wijziging als gevraagd op grond van het door haar gevoerde herstelbeleid en artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd.

Het bericht van 16 februari 2007 behelst het tussen partijen thans niet in geding zijnde onderdeel van de beslissing dat op basis van het herstelbeleid betrokkene voor de maanden juni en juli 2005 alsnog een uitwonendenbeurs wordt toegekend.

De – op grond van het beleid als ambtshalve geduide – toepassing van het herstelbeleid neemt echter niet weg dat appellante heeft verzocht ook over de maanden maart tot en met mei 2005 en augustus tot en met december 2005 tot een ander besluit te komen dan neergelegd in het bericht van 22 september 2006. Op dat verzoek diende appellante een besluit te nemen.

Appellante heeft zulks ook – terecht – in het bericht van 16 februari 2007 gedaan. Het bericht bevat een oordeel over de woonsituatie per 1 maart 2005, 1 juni 2005 en per 1 augustus 2005. Dat appellante haar besluit op dit punt niet onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb heeft gemotiveerd, noch hetgeen appellante heeft gesteld omtrent systeem-technische problemen doet hieraan af.

De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat het bericht van 16 februari 2007 voor de maanden maart tot en met mei 2005 en augustus tot en met december van 2005 een besluit tot weigering gebruik te maken van een appellante toekomende bevoegdheid bevat en dat het door betrokkene tegen dat besluit gemaakte bezwaar door appellante ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

Het hoger beroep treft mitsdien geen doel.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellante te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 49,- aan reiskosten. Nu geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen de kosten van de gemachtigde – de vader van betrokkene – niet voor vergoeding in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep in de door betrokkene in hoger beroep gemaakte reiskosten tot een bedrag van € 49,-, aan betrokkene te betalen door de Informatie Beheer Groep;

Bepaalt dat van de Informatie Beheer Groep een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MK