Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2008
Datum publicatie
24-04-2008
Zaaknummer
06/5321 AW, 06/5447 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtmatigheid ontslagbesluit wegens bereiken pensioengerechtigde leeftijd. Geen grondslag voor schadevergoedingsplicht. Op bevoegdheid tegemoetkoming te verlenen naar billijkheid is niet beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/140

Uitspraak

06/5321 AW en 06/5447 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K.

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 8 augustus 2006, 05/678 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

betrokkene

en

de minister

Datum uitspraak: 10 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Ieder van partijen heeft hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Namens betrokkene is ter zitting verschenen mr. M.J. de Haas, verbonden aan het Ambtenarencentrum. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J. Hauser, werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is werkzaam geweest bij het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (hierna: KNMI), een agentschap van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Bij het Onderhandelaarsakkoord arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2002-2003 was afgesproken dat artikel 98, eerste lid, aanhef en onder h, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) zou worden geschrapt. In dat artikel is bepaald dat ontslag kan worden verleend bij het bereiken van de pensioen-gerechtigde leeftijd. Op 19 december 2002 is door de afdeling Personeel en Organisatie van het KNMI aan betrokkene meegedeeld dat voornoemd artikel per 1 december 2002 zal worden geschrapt en dat als hij bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd geen ontslag zou vragen, het dienstverband zou blijven voortbestaan. Betrokkene heeft op 4 september 2003 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Hem is toen geen ontslag verleend. Bij circulaire van 5 november 2003 is vervolgens bekend gemaakt dat de Raad van State geen positief advies had uitgebracht over het ontwerp besluit, waarbij de bij het Onderhan-delaarsakkoord gemaakte afspraak zou worden doorgevoerd. Met de circulaire van

10 december 2003 is bekend gemaakt dat de voorgenomen wijziging van het ARAR, waarbij de ontslaggrond in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou komen te vervallen, geen doorgang zal vinden.

1.2. Bij besluit van 24 februari 2004 is betrokkene eervol ontslag verleend met ingang van 1 juni 2004, wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Daartegen heeft betrokkene bezwaar gemaakt en verzocht om vergoeding van door hem geleden schade, mede onder vermelding van artikel 69 van het ARAR. Na dit bezwaar is het ontslag conform het advies van de hoorcommissie gehandhaafd bij besluit van 27 september 2004. Genoemd advies houdt tevens in dat over het verzoek om vergoeding van geleden schade een nieuw primair besluit dient te worden genomen. Betrokkene heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 27 september 2004.

1.3. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen bij besluit van 25 oktober 2004. Daartoe heeft de minister overwogen dat de schade uitsluitend het gevolg is van door betrokkene gemaakte keuzen die buiten de invloedssfeer van de organisatie liggen. Voorts is verwezen naar de bij het ontslagbesluit gehanteerde opzegtermijn van drie maanden. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit van 22 juni 2005 (hierna: bestreden besluit).

1.4. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard voor zover het betreft de schade als gevolg van verlies aan pensioen-opbouw en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 27 september 2004 aangezien de hoorcommissie de minister heeft geadviseerd om een primair besluit over de schade te nemen. De rechtbank heeft daarbij tevens van belang geacht dat naar haar oordeel de minister heeft erkend dat het vertrouwensbeginsel geschonden is. Voorts is overwogen dat de schade voor vergoe-ding in aanmerking komt voor zover sprake is van een causaal verband tussen de geleden schade en het ontslagbesluit. Alleen ten aanzien van de pensioenschade acht de rechtbank zodanig verband aanwezig. Tevens zijn bepalingen gegeven over griffierecht en proces-kosten.

2. Het standpunt van de minister komt erop neer dat het bij het besluit van 27 september 2004 gehandhaafde ontslag in rechte onaantastbaar is geworden en dat van de recht-matigheid daarvan dient te worden uitgegaan. Volgens de minister heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het betrokkene niet kan worden tegengeworpen geen beroep te hebben ingesteld tegen het besluit waarbij het ontslag is gehandhaafd. Evenmin is volgens de minister sprake van een erkenning van de onrechtmatigheid van het gehandhaafde ontslagbesluit.

2.1. Betrokkene is van mening dat de rechtbank ten onrechte geen causaal verband heeft aangenomen tussen de overige schadeposten en het ontslagbesluit.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad stelt voorop dat het besluit van 27 september 2004, waarbij het ontslag is gehandhaafd, niet is aangevochten. Daarmee is het besluit tot ontslag in rechte onaan-tastbaar geworden, zodat van de rechtmatigheid daarvan dient te worden uitgegaan. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het advies van de hoorcommissie geen aanleiding vormt om van dit uitgangspunt af te wijken. In het door de minister gevolgde advies van de hoorcommissie is weliswaar overwogen dat er vertrouwen is gewekt bij betrokkene dat hij na zijn pensioengerechtigde leeftijd mocht doorwerken, maar dat dit niet behoefde te leiden tot herroeping van het ontslagbesluit nu de minister heeft voorzien in een ruime opzegtermijn. Mede gelet hierop heeft de hoorcommissie geadviseerd het ontslagbesluit te handhaven. Dat er volgens (de hoorcommissie en) de minister sprake is geweest van opgewekt vertrouwen betekent gezien het voorgaande niet dat de minister de onrechtmatigheid van het ontslagbesluit heeft erkend. Indien betrokkene het niet eens was met de handhaving van het ontslagbesluit lag het op zijn weg daartegen beroep in te stellen. De Raad is dan ook van oordeel dat van de rechtmatig-heid van het ontslag dient te worden uitgegaan. Het hoger beroep van de minister slaagt derhalve.

3.2. Aangezien van de rechtmatigheid van het ontslag dient te worden uitgegaan, is er geen grondslag voor een schadevergoedingsplicht gebaseerd op een onrechtmatig besluit en kunnen de grieven ten aanzien van het door de rechtbank afgewezen causaal verband met het gehandhaafde ontslagbesluit niet slagen.

3.3. Betrokkene heeft aan zijn verzoek om vergoeding van zijn schade niet alleen de onrechtmatigheid van het ontslag ten grondslag gelegd. Hij heeft in zijn bezwaarschrift tegen het ontslagbesluit ook verzocht om schadeloosstelling op grond van artikel 69, eerste lid, van het ARAR. Op grond van deze bepaling kan de minister naar billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoet-koming verlenen. De Raad heeft eerder overwogen dat dit wettelijk voorschrift op zichzelf niet verplicht tot volledige vergoeding van de geleden schade, doch uitsluitend ziet op een bevoegdheid van de betrokken minister tot tegemoetkoming naar billijkheid.

3.4. Bij het bestreden besluit is de minister ingegaan op de diverse schadeposten en heeft hij, concluderend, overwogen dat de geleden schade geen gevolg is van het ontslagbesluit. De minister heeft daarmee in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet beslist op het bezwaar tegen de afwijzing door de minister van een tegemoet-koming naar billijkheid als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het ARAR. Dit betekent dat ook het hoger beroep van betrokkene slaagt.

3.5. Gezien al het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit geheel vernietigen. Tevens zal de Raad bepalen dat de minister een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

4. In het voorgaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- wegens kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover het betreft de griffierecht- en proceskostenveroordeling;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 juni 2005;

Bepaalt dat de minister een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep tot een bedrag van € 644,- , te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan betrokkene het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 211,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

Q