Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0289

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
24-04-2008
Zaaknummer
07-3355 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffing premie. Omvang van geding in hoger beroep. Gezien eerdere uitspraak van de Raad, is de vraag aan de orde of het punt van de verhouding tussen de geschatte lonen en de berekende omzet voldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3355 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 juni 2007, 05/2803 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 17 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant is in hoger beroep gekomen.

Namens betrokkene heeft mr. R.B.H. Beune, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellant bij brief van 5 november 2007 de Raad andere stukken doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Daartoe ambtshalve opgeroepen heeft appellant zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen heeft betrokkene zich laten vertegenwoordigen door mr. Beune, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de regelgeving, zoals deze luidde ten tijde hier van belang.

Betrokkene exploiteert een jachthaven. Blijkens de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel omvat de exploitatie van betrokkene: onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen, winterstalling, handel in watersportartikelen en -benodigdheden, alsmede de exploitatie van een horecabedrijf, bemiddeling bij de aan- en verkoop van pleziervaartuigen. De directie van betrokkene wordt gevoerd door [naam besloten vennootschap] Van deze laatste besloten vennootschap voert [naam directie] de directie. Voorts heeft [naam directie] alle aandelen van deze vennootschap in zijn bezit.

Naar aanleiding van een door de opsporingsdienst van gedaagde, in samenwerking met de Belastingdienst/FIOD, ingesteld fraudeonderzoek, waarbij [naam directie] alsmede verschillende (ex-)werknemers van betrokkene als getuigen zijn gehoord en diverse administratieve bescheiden van betrokkene in beslag zijn genomen, heeft een looninspecteur van appellant blijkens zijn rapport van 16 augustus 1999 een looncontrole bij betrokkene uitgevoerd met betrekking tot de jaren 1994 tot en met 1998. Daarbij is geconstateerd dat betrokkene de loonopgaveverplichtingen niet, niet juist dan wel niet volledig is nagekomen, omdat er buiten de loonadministratie om betalingen zijn verricht aan diverse werknemers. De looninspecteur heeft tevens geconstateerd dat betrokkene gedurende twee perioden voor 1 mei 1997 de horecagelegenheid heeft verpacht, en dat vanaf deze laatste datum de exploitatie van deze gelegenheid door betrokkene zelf plaatsvond waarbij het voor deze horecagelegenheid werkzame personeel in dienstbetrekking stond tot betrokkene.

De looninspecteur van appellant heeft de premielonen over de jaren 1994 tot en met 1998 gecorrigeerd. Op basis hiervan heeft de Inspecteur van de Belastingdienst onder dagtekening 3 mei 1999 naheffingsaanslagen Loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over deze jaren. Appellant heeft bij correctienota's van 15 oktober 1999 premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten nageheven over deze jaren.

De namens betrokkene tegen de correctienota's ingediende bezwaren zijn bij besluit van 17 maart 2000 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 januari 2002 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 17 maart 2000 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft betrokkene hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 20 juli 2004 heeft de Raad met beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht de uitspraak van de rechtbank van 7 januari 2002 vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 maart 2000 vernietigd voorzover dat ziet op de jaren 1997 en 1998.

Bij zijn evenvermelde uitspraak heeft de Raad overwogen dat appellant op goede gronden is overgegaan tot een schatting van aanvullende premiecorrecties in verband met niet verantwoorde loonbetalingen. De Raad heeft betrokkene niet gevolgd in haar standpunt dat het personeel dat vanaf 1 mei 1997 in de horecagelegenheid werkzaam was, niet tot haar in dienstbetrekking stond. Ook met betrekking tot het overige personeel, zoals havenmeesters, klusjesmannen en schoonmakers, heeft de Raad geoordeeld dat, gelet op de door hen tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaringen, zij in dienstbetrekking tot betrokkene stonden.

Voorts heeft de Raad in zijn uitspraak, waarin appellant is aangeduid als gedaagde en betrokkene als appellante, het volgende overwogen:

“De grief namens appellante dat de schatting van de premies met name van het horecapersoneel geen redelijke is, dient naar het oordeel van de Raad te slagen. Weliswaar heeft appellante het (voorzienbare) risico genomen zich een schatting van personeel en de daaruit voortvloeiende premiecorrecties te doen welgevallen over de in het geding zijnde periode vanwege het feit dat appellante haar loonopgaveverplichting niet is nagekomen, doch dit rechtvaardigt nog niet iedere aanname van personeelskosten zonder reële basis. Op grond van het namens appellante ter zitting van de Raad nader gemotiveerde standpunt alsmede op basis van de gedingstukken, is de Raad met appellante tot de conclusie gekomen dat de hoogte van de premiebedragen onvoldoende is onderbouwd. Appellante heeft dienaangaande aangevoerd dat uit de aan de schatting ten grondslag liggende stukken is gebleken dat de geschatte loonkosten van het kantinepersoneel in geen verhouding staan tot de door gedaagde gehanteerde omzet over de jaren 1997 en 1998, aangezien de blijkens de correctienota’s berekende loonkosten van het kantinepersoneel aanzienlijk hoger zijn dan de berekende omzet van de kantine. Deze stelling lijkt bevestiging te vinden in het looncontrolerapport en de overige gedingstukken, waardoor de Raad ernstige twijfels heeft aan de realiteitswaarde van de schatting op dit punt. In zoverre - het gaat daarbij enkel om het kantinepersoneel en de jaren 1997 (v.a. mei) en 1998 - is het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd en heeft gedaagde artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschonden.”

Bij uitspraak van 9 maart 2005 heeft het Gerechtshof Arnhem het beroep van betrokkene tegen het besluit van de Inspecteur van de Belastingdienst van 20 mei 2002 tot handhaving van de op 3 mei 1999 opgelegde naheffingsaanslagen ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 juni 2005 heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen de correctienota’s over de jaren 1997 en 1998 wederom ongegrond verklaard. Bij zijn besluit heeft appellant het volgende overwogen:

“U stelt dat de door ons over 1997 en 1998 berekende loonkosten van het kantinepersoneel aanzienlijk hoger zijn dan de door ons becijferde omzet van de kantine, waaruit u concludeert dat de door ons berekende loonkosten op een te hoog bedrag zijn becijferd.

Ten aanzien van uw stelling merken wij op dat uit de wanverhouding tussen berekende loonkosten en becijferde kantineomzet onzes inziens slechts blijkt, dat de kantineomzet op een te laag bedrag is becijferd. Immers, de loonkosten zijn exacter berekend, namelijk op grond van de ten overstaan van de opsporingsambtenaren afgelegde verklaringen. De kantineomzet is daarentegen becijferd aan de hand van de bij u aangetroffen inkoopbonnen, zodat op generlei wijze kan worden vastgesteld of er geen ontbreken.

Wij sluiten ons op dit punt dan ook volledig aan bij rechtsoverweging 4.12 uit het vonnis van de belastingkamer van het Gerechtshof te Arnhem van 9 maart 2005. De bewuste overweging, betreffende uw naheffingsaanslag Loonbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1994 tot en met 1997, luidt als volgt:

"Gemachtigdes stelling, onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB zoals onder 2.8 omschreven, dat de in aanmerking genomen loonkosten in geen verhouding staan tot de gerealiseerde kantineomzet, kan het Hof niet volgen. Het Hof volgt daarentegen de Inspecteur in zijn gemotiveerde stelling, daarin door belanghebbende niet of in onvoldoende mate bestreden, dat de oorspronkelijke zwarte loonkosten beduidend minder waren dan de kantineomzet. Het afzetten van de kantineomzet tegen de door de Inspecteur gecorrigeerde (gebruteerde) witte loonkosten zoals belanghebbende bepleit, kan geen basis zijn voor het naar beneden bijstellen van de naheffingsaanslagen, nog daargelaten dat (...) de kantineomzet is berekend met behulp van aangetroffen inkoopbonnen (waarvan de volledigheid niet kon worden vastgesteld) en aannames ten aanzien van de te behalen brutowinst zodat de kantineomzet zeer wel hoger kan zijn geweest dan het bedrag zoals door UWV/FIOD berekend.”

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht het beroep van betrokkene tegen het besluit van 20 juni 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit moet nemen met in achtneming van deze uitspraak.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de door appellant gemaakte schatting onvoldoende toetsbaar is, nu uit de overgelegde stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken welke aannames en uitgangspunten bij de schatting zijn gehanteerd.

Appellant heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad overweegt daarbij allereerst dat, nu betrokkene niet in hoger beroep is gekomen, hij voorbijgaat aan hetgeen betrokkene in haar verweerschrift onder het kopje “incidenteel appel” heeft aangevoerd. De omvang van het geding in hoger beroep wordt bepaald door hetgeen appellant naar voren heeft gebracht.

Blijkens de gedingstukken zijn de gecorrigeerde premielonen gebaseerd op verklaringen die ten overstaan van opsporingsbeambten zijn afgelegd. In zoverre is de schatting van het loon van de personen die in de kantine werkzaam waren geen andere dan de schatting van het loon van de overige personeelsleden, waaronder havenmeesters, klusjesmannen en schoonmakers. Gelet op hetgeen de Raad in zijn uitspraak van 20 juli 2004 over deze personeelsleden heeft overwogen, moet dan ook met betrekking tot het kantinepersoneel worden vastgesteld dat in de uitspraak van 20 juli 2004 ligt besloten dat de schatting van het loon van dit personeel op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Enkel omdat de uitkomst van deze schatting niet spoorde met de berekende omzet is de Raad tot het oordeel gekomen dat het besluit van 17 maart 2000 op dit punt onvoldoende draagkrachtig was gemotiveerd.

Uit het vorenstaande volgt derhalve dat de rechtbank de vraag diende te beantwoorden of het besluit van 20 juni 2005 op het punt van de verhouding tussen de geschatte lonen en de berekende omzet van een voldoende draagkrachtige motivering is voorzien. Naar het oordeel van de Raad had de rechtbank deze vraag bevestigend moeten beantwoorden.

Uit de gedingstukken blijkt niet dat de berekende omzet ook de daadwerkelijk gerealiseerde omzet was. Voorts dient de omzet te worden afgezet tegen de niet verantwoorde, netto loonbetalingen en niet tegen de gebruteerde lonen. De Raad verenigt zich met hetgeen het Gerechtshof in zijn uitspraak van 9 maart 2005 hierover heeft overwogen. Terecht heeft appellant in zijn besluit van 20 juni 2005 daarnaar verwezen.

Het hiervoor overwogene brengt met zich dat onder vernietiging van de aangevallen uitspraak het inleidend beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad voegt hieraan toe dat, voorzover nog aan de orde, appellant bij de invordering van nog verschuldigde premies acht dient te slaan op hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de verschuldigdheid van wettelijke rente over die premies.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 april 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

RB0304