Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
07-1131 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep tegen weigering tijdig te beslissen op bezwaar. Ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend door rechtbank.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75, geldigheid: 2008-04-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1131 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 5 februari 2007, 06/561 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 maart 2008, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 18 augustus 2005 heeft het College de verlening van bijzondere bijstand voor een eigen bijdrage in kosten van rechtsbijstand geweigerd.

Namens appellant is bij brief van 6 december 2005 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij beroepschrift van 20 april 2006 heeft mr. Van Asperen namens appellant bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift.

Bij besluit van 17 mei 2006 heeft het College het hiervoor vermelde bezwaar wegens

- niet verschoonbare - termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 17 mei 2006 ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant allereerst tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken bij de niet-ontvankelijk verklaring van het beroep dat was ingediend tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Appellant heeft verder betoogd dat zijn bezwaarschrift van

6 december 2005 ontvankelijk verklaard had moeten worden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Proceskostenveroordeling in beroep

De Raad is van oordeel dat de grief inzake de weigering van de rechtbank om een proceskostenveroordeling uit te spreken terecht is voorgedragen. Appellant heeft immers beroep moeten instellen om te bewerkstelligen dat een besluit op bezwaar werd genomen. In een dergelijk geval ligt het in de rede dat de rechtbank gebruik maakt van de in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde bevoegdheid wanneer zij constateert dat het procesbelang aan een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar is komen te ontvallen door het, hangende beroep, afgeven van een beslissing op bezwaar door het bestuursorgaan.

De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij is geweigerd om het College in de proceskosten van appellant in beroep te veroordelen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, een zodanige proceskostenveroordeling alsnog uitspreken.

De Raad stelt vast dat die kosten beperkt zijn gebleven tot de kosten van verleende rechtsbijstand in verband met het indienen van een beroepschrift, zijnde 1 punt als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt aan de onderhavige zaak de gewichtsfactor "zeer licht" toegekend. Daarom zal de Raad het College veroordelen in de proceskosten in beroep tot een bedrag van 0,25 x € 322,-- = € 80,50.

Beroep tegen het besluit van 17 mei 2006

Bij het bezwaarschrift van appellant van 6 december 2005 was gevoegd een afschrift van het besluit van 18 augustus 2005, hetgeen betekent dat dit besluit appellant daadwerkelijk heeft bereikt.

Appellant heeft in zijn bezwaarschrift vermeld dat het besluit van 18 augustus 2005 pas op 24 november 2005 door hem is ontvangen. De Bezwaarschriftencommissie van de gemeente Hoogeveen heeft appellant in de gelegenheid gesteld bijzondere redenen aan te geven waardoor het bezwaar niet tijdig is gemaakt. Bij brief van 12 januari 2006 heeft appellant daarop gereageerd met het standpunt dat hij de beslissing van 18 augustus 2005 niet heeft ontvangen en dat het College de verzending van dat besluit van 18 augustus 2005 niet aannemelijk heeft gemaakt. Pas in beroep heeft appellant naar voren gebracht dat het besluit op 24 november 2005 door een medewerker van sociale zaken aan hem is overhandigd. Dat wordt door het College tegengesproken. De Raad stelt vast dat appellant geen objectieve omstandigheden heeft aangevoerd - zoals een geregistreerd gesprek met een medewerker van de sociale dienst op die datum - waaruit kan worden afgeleid dat hij het besluit op 24 november 2005 uitgereikt heeft gekregen. De Raad acht dit dan ook, mede tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor al is overwogen, ongeloofwaardig. Nu voorts vaststaat dat het besluit van 18 augustus 2005 appellant heeft bereikt en niet in geschil is dat dit besluit aan het juiste adres was gericht, komt de Raad tot de conclusie dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat appellant dit besluit niet kort na de op het besluit met een stempel aangebrachte verzenddatum heeft ontvangen. Daarvan uitgaande, is het bezwaar te laat gemaakt.

Van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb is ook de Raad niet gebleken. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het College het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt derhalve in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

Er is geen ruimte voor het toekennen van de verzochte schadevergoeding.

Proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 80,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover de rechtbank heeft nagelaten een proceskostenvergoeding uit te spreken;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 80,50, te betalen door de gemeente Hoogeveen aan de griffier van de Raad;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 80,50, te betalen door de gemeente Hoogeveen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Hoogeveen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

RB