Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
06-7416 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag ANW: niet (vrijwillig) verzekerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 36

Uitspraak

06/7416 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te Marokko (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2006, 04/5963 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 10 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Svb heeft van verweer gediend.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 27 maart 2008. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y van den Berg.

II OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1948, heeft bij brief gedagtekend 25 maart 2004 aan de Svb verzocht om aan haar, in verband met het overlijden van haar echtgenoot [in] 2004, een uitkering toe te kennen ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW).

Op het aanvraagformulier gedagtekend 20 mei 2005 heeft appellante aangegeven dat haar overleden man niet vrijwillig verzekerd is geweest voor de ANW en dat zij noch in Nederland noch daarbuiten van enige instantie een uitkering ontvangt.

Bij besluit van 8 juli 2004 is de aanvraag om een uitkering ingevolge de ANW door de Svb afgewezen. De Svb heeft aan dit besluit ten gronde gelegd dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Ook aan het van toepassing zijnde internationale recht kon de echtgenoot van appellante geen recht op verzekering ingevolge de ANW ontlenen.

In bezwaar is door appellante aangevoerd dat zij recht heeft op een uitkering ingevolge de ANW omdat zij verder geen inkomsten heeft.

Bij besluit van 5 oktober 2004, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij recht heeft op een uitkering ingevolge de ANW, omdat haar man een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet had.

Zij heeft sinds zijn overlijden geen inkomsten meer.

De rechtbank heeft als volgt overwogen, waarbij appellante is aangeduid als eiseres en de Svb als verweerder:

“De Anw is een zogenaamde risicoverzekering. Dit betekent dat op grond van de nationaalrechtelijke bepalingen alleen dan recht op een nabestaanden-uitkering kan bestaan, indien de overledene op het moment van overlijden verzekerd was voor de Anw.

Op grond van artikel 13, eerste lid, in samenhang met artikelen 6 en 7 van de Anw is ingevolge de Anw verzekerd degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, in Nederland woont of in Nederland in dienstbetrekking werkzaam is en uit dien hoofde aan de loonbelasting is onderworpen.

De echtgenoot van eiseres was op de datum van overlijden geen ingezetene van Nederland, noch verrichtte hij in Nederland arbeid. Hij was derhalve niet verplicht verzekerd op grond van artikel 13, eerste lid, van de Anw.

Op grond van artikel 13, derde lid, van de Anw kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring van verzekerden. Niet gebleken is dat eiseres op de voet van dit artikellid een aanspraak op een nabestaandenuitkering kan ontlenen.

Op grond van artikel 13a, aanhef en onder a, van de Anw, wordt zo nodig in afwijking van artikel 13 en de daarop berustende bepalingen, als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van de Anw voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

In artikel 22 van het Algemeen Verdrag inzake Sociale Zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko van 14 februari 1972 (Trb. 1972, 34, gewijzigd bij verdrag van 30 september 1996, Trb. 298, -bij verdrag van 22 juni 2000 (Trb. 2000, 197) en bij verdrag van 24 juni 2002 (Trb. 2003, 143)) is bepaald dat wanneer een werknemer op het tijdstip van overlijden verzekerd is krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen, en tijdvakken van verzekering ingevolge de Nederlandse wettelijke regelingen heeft vervuld, zijn weduwe aanspraak kan maken op een (gedeeltelijke) nabestaandenuitkering ingevolge de Anw. Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoot van eiseres op de datum van zijn overlijden verzekerd was op grond van de Marokkaanse wettelijke regelingen.

Uit onderzoek van verweerder is evenmin gebleken dat de echtgenoot van eiseres op enigerlei wijze vrijwillig was verzekerd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft beslist dat eiseres geen recht heeft op een (gedeeltelijke) nabestaandenuitkering. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht, die leiden tot een ander oordeel.”

Het beroep wordt ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante in essentie haar eerder aangevoerde gronden herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen. Hetgeen door appellante in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan het in de uitspraak van de rechtbank neergelegde oordeel.

De Raad concludeert dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2008.

(get.) H.J. Simon.

(get.) A. Kovács.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.

RB