Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
06/806 WAO, 07/4954 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nader besluit: toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Maatman. Deugdelijke motivering in hoger beroep. In stand laten van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/806 en 07/4954 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2005, 04/2106 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een nader besluit d.d. 21 augustus 2007 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft de eerste maal plaatsgevonden op 14 september 2007. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

De Raad heeft het onderzoek heropend en aan het Uwv schriftelijk een aantal vragen gesteld. Het Uwv heeft deze bij brief met bijlagen van 8 januari 2008 beantwoord.

Appellante heeft hierop bij brief met bijlagen van 10 maart 2008 gereageerd.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2008. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is werkzaam geweest als lerares in twee dienstverbanden van respectievelijk 12 uur en 13 minuten en 33 uur en 56 minuten. In 1993 en 1997 is zij met klachten van overspannenheid uitgevallen uit eerst de ene en later ook uit de andere functie. De uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die zij in verband hiermee ontving, is per 15 september 1998 ingetrokken, nadat zij de betreffende intrekkingbeslissing in bezwaar, beroep en hoger beroep had aangevochten.

In 2000 is appellante weer als docent gaan werken, nu voor 33,93 uur per week. Zij heeft zich op 17 oktober 2001 ziekgemeld met spanningsklachten. Sindsdien heeft zij geen werkzaamheden meer verricht. Bij besluit van 24 februari 2003 heeft het Uwv appellante per 14 november 2001, aansluitend aan een wachttijd van vier weken, een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 6 april 2004 zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 22 juni 2005 heeft het Uwv besloten om de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante waarnaar haar WAO-uitkering wordt berekend, per 14 november 2001 vast te stellen op 55 tot 65%. Bij een nadere beoordeling is gebleken dat enkele van de aanvankelijk voor appellante geselecteerde functies zijn komen te vervallen, als gevolg waarvan haar verdiencapaciteit is afgenomen en daarmee haar mate van arbeidsongeschiktheid toegenomen.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het besluit van 6 april 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Haar beroep tegen het besluit van 22 juni 2005 is gegrond verklaard en dat besluit is door de rechtbank vernietigd, waarbij het Uwv is opgedragen een nieuw besluit te nemen, met bepaling dat aan appellante het betaalde griffierecht dient te worden vergoed. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de door de (bezwaar)verzekeringsartsen voor appellante geformuleerde arbeidsbeperkingen. De rechtbank is echter van mening dat onvoldoende duidelijk is geworden op precies welke functies de verdiencapaciteit van appellante is gebaseerd en op welke wijze het zogenoemde maatmanloon van € 30,07 per uur is berekend.

Het hoger beroep van appellante richt zich tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot het besluit van 22 juni 2005. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak en vooral tegen het oordeel van de rechtbank dat haar medische beperkingen door het Uwv juist zijn vastgesteld. Zij heeft aangevoerd dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen op de aspecten “concentreren” en “tillen” en dat het Uwv ten onrechte heeft aangenomen dat zij in staat is gedurende een volledige werkweek te werken.

Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit d.d. 21 augustus 2007 genomen. Het Uwv heeft besloten de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 14 november 2001 vast te stellen op 65 tot 80%.

Appellante heeft haar hoger beroep gehandhaafd en heeft, naast hetgeen zij eerder heeft aangevoerd, gesteld dat de berekening van haar maatmanloon en van haar maandelijkse uitkering onduidelijk is en voorts dat haar medische situatie in de loop der jaren is verslechterd.

De Raad overweegt als volgt.

Nu het Uwv met het besluit van 21 augustus 2007 niet geheel aan appellante is tegemoet gekomen, wordt haar beroep geacht tevens te zijn gericht tegen dit besluit. Appellante heeft geen vergoeding van schade ten gevolge van de eerdere ingetrokken besluiten gevorderd en heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van haar hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van het beroep van appellante tegen het besluit van 21 augustus 2007 overweegt de Raad het volgende. In medische zin is dit besluit gebaseerd op de voor appellante door de (bezwaar)verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen, die zijn vastgelegd in de zogenoemde functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 10 juli 2002. Een actuele versie van deze FML d.d. 18 december 2007, is door het Uwv in januari 2008 ingezonden. In deze FML zijn voor appellante beperkingen opgenomen in de categorieën “persoonlijk functioneren” en “sociaal functioneren” en is bepaald dat appellant niet

’s-nachts kan werken. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de psychische en fysieke beperkingen van appellante door het Uwv zijn onderschat. Ten aanzien van psychisch belastende factoren bij het verrichten van werkzaamheden, is in de FML onder meer een beperking opgenomen met betrekking tot het concentreren van de aandacht. Aangenomen is dat appellante zich maximaal een half uur op een informatiebron kan concentreren. Voor de stelling van appellante dat zij op dit punt zwaarder beperkt is ziet de Raad geen reden. Ook in het door appellante in hoger beroep overgelegde expertise rapport d.d.

5 september 2007 van een door de psychiater W.M.J. Hassing op 28 augustus 2007 verricht onderzoek, ziet de Raad geen reden om de aangenomen psychische beperkingen onvoldoende te achten. Hassing komt weliswaar tot de conclusie dat bij appellante sprake is van een vrij ernstige depressieve stoornis, maar het rapport biedt onvoldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat die stoornis ook al in relevante mate bij appellante aanwezig was op de in geding zijnde datum 14 november 2001.

Het ontbreken van fysieke beperkingen, meer in het bijzonder op het aspect “tillen” vormt evenmin reden om te concluderen dat de medische beoordeling niet juist is geweest. Uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen noch uit de overigens aanwezige medische informatie, waarbij de Raad onder meer wijst op de door appellante ingezonden informatie van haar huisarts, komt naar voren dat zij in november 2001 last had van rugklachten. Dat zij in 1997 en in 1999 met haar werkgever over een aangepaste stoel heeft gesproken kan daaraan niet afdoen. Ook voor het opnemen van meer of zwaardere beperkingen voor de door appellante naar voren gebrachte rug-, been- en hoofdpijnklachten, of voor een beperking in verband met “autorijden” ziet de Raad geen aanleiding. Onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent door de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp in zijn rapport van 4 november 2003 is opgemerkt moet ook naar het oordeel van de Raad worden aangenomen dat deze klachten per de in geding zijnde datum niet of niet in voldoende relevante mate - objectiveerbaar - aanwezig waren.

Naar aanleiding van schriftelijke vragen van de Raad heeft het Uwv ter zitting van de Raad nader het standpunt ingenomen, dat de stelling dat appellante vanaf 14 november 2001 in staat wordt geacht nog in dezelfde omvang als in het verleden werkzaamheden te verrichten, wordt verlaten. Niet langer is het Uwv van oordeel dat appellante per die datum ruim 46 uur per week kan werken. Wel meent het Uwv dat op basis van de beschikbare informatie en rapportages kan worden aangenomen dat appellante per genoemde datum in staat was om gedurende 36 uur per week, dus in een normaal voltijds dienstverband, voor haar geschikte werkzaamheden te verrichten. Naar het oordeel van de Raad vindt dit standpunt van het Uwv voldoende steun in de gedingstukken en is er onvoldoende reden voor het oordeel dat appellante per

14 november 2001 niet in staat was voltijds voor haar geschikte werkzaamheden te verrichten.

Gelet op het rapport d.d. 21 december 2007 van de arbeidsdeskundige J.G. Grothe, berust de onderhavige schatting op de geschiktheid van appellante voor een viertal fulltime functies en vijf parttime functies. Gelet op het nadere standpunt van het Uwv ligt aan de herziening van appellantes WAO-uitkering alleen nog haar geschiktheid voor de fulltime functies ten grondslag. De arbeidsdeskundige Grothe heeft in zijn rapport toegelicht dat appellante in staat moet worden geacht met haar beperkingen de betreffende functies te verrichten. De Raad acht deze toelichting voldoende overtuigend en is van oordeel dat appellante met haar in de FML opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht deze functies uit te oefenen.

Blijkens de ter zitting gegeven toelichting acht het Uwv appellante in staat om met genoemde fulltime functies een loon te verwerven van € 7,87 per uur. Gelet op wat appellante vóór het intreden van haar arbeidsongeschiktheid, geïndexeerd naar het loonniveau van 14 november 2001, nog zou kunnen verdienen, € 30,07, bedraagt haar verlies aan verdiencapaciteit ongeveer 74%. Naar het oordeel van de Raad heeft de arbeidsdeskundige Grothe in zijn rapport van 21 december 2007 op overtuigende wijze gemotiveerd wat de verdiencapaciteit is van appellante per 14 november 2001 en wat de hoogte is van haar maatmaninkomen. Hieruit volgt dat het Uwv naar het oordeel van de Raad de mate van arbeidsongeschiktheid waarnaar de WAO-uitkering van appellante per 14 november 2001 wordt berekend, terecht heeft vastgesteld op 65 tot 80%.

De stelling van appellante dat de berekening van de hoogte van haar uitkering voor haar onduidelijk is, dan wel dat het zogenoemde dagloon niet juist is, valt buiten de beoordelingsruimte van de Raad in dit geding, waarbij de Raad aantekent dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad heeft toegelicht dat haar uitkering is berekend naar het zogenoemde maximumdagloon en daarom niet hoger kan worden vastgesteld.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de WAO-uitkering van appellante door het Uwv terecht is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Gelet op het nadere standpunt van het Uwv in hoger beroep, concludeert de Raad echter dat het besluit pas in die fase van een deugdelijke motivering is voorzien. Dat betekent dat de Raad het besluit van 21 augustus 2007 zal vernietigen, maar tevens zal bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Het betreft de reiskosten van appellante voor het bezoeken van de beide zittingen van de Raad ter hoogte van € 31,84.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep voor zover dat wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van

21 augustus 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 31,84, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in hoger beroep van

€ 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

JL