Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
06-7074 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onjuiste voorstelling van zaken tijdens sollicitatie. Geen uitvoering gegeven aan het voornemen om betrokkene aan te nemen. Sollicitatie; geschiktheid voor functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/139

Uitspraak

06/7074 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 november 2006, 06/143 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: minister)

Datum uitspraak: 10 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Appellant is in persoon verschenen, vergezeld van zijn partner, [naam partner]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.C. Zielhorst, werkzaam ten behoeve van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij het Ministerie van Justitie waarbij appellant was ingeschaald in salarisschaal 11, periodiek 6. Eind 2004 heeft appellant gesolliciteerd naar de op schaal 13 gewaardeerde functie van beleidscoördinator rechtspositie en arbeidsvoorwaarden bij de directie Personeel, Organisatie en Informatie (POI) van VROM. Na een aantal gesprekken is aan appellant bij brief van 21 januari 2005 (hierna: afsprakenbrief) door de directeur POI het voornemen meegedeeld hem aan te nemen op de beoogde functie. In de afsprakenbrief wordt onder meer vermeld dat appellant zal worden ingeschaald in salarisschaal 13, periodiek 10 (het maximum van die schaal). Tevens zal hem na een half jaar een gratificatie van €1.500,-, dan wel een extra periodiek worden toegekend, en ontvangt hij bij indiensttreding een eenmalige mobiliteitstoeslag van € 2.512,96.

1.2. Bij verificatie van de salarisgegevens van appellant is vervolgens gebleken dat appellant, anders dan bij POI werd verondersteld, bij het Ministerie van Justitie niet in salarisschaal 13, periodiek 10, maar in salarisschaal 11, periodiek 6 was ingeschaald. Hierdoor voldeed appellant niet aan de voorwaarden voor een mobiliteitstoeslag op grond van artikel 22c van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA), aangezien appellant niet “horizontaal” overging, maar bij zijn overgang reeds een salarisverhoging tegemoet kon zien.

De minister heeft hieruit geconcludeerd dat appellant willens en wetens onjuiste informatie heeft verstrekt omtrent zijn inschaling bij het Ministerie van Justitie. Bij besluit van 14 maart 2005 is aan appellant meegedeeld, dat geen uitvoering zal worden gegeven aan het voornemen hem aan te nemen op de beoogde functie en dat derhalve overplaatsing naar het Ministerie van VROM wordt geweigerd. Tevens heeft de minister hierbij alle eerdere beslissingen betreffende de beoogde tewerkstelling bij VROM en de daarbij behorende arbeidsvoorwaarden ingetrokken. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 25 november 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat van appellant gelet op zijn functie verwacht mag worden dat hij ermee bekend is dat een mobiliteitstoeslag slechts wordt toegepast bij horizontale overplaatsing. Appellant is zich er volgens de rechtbank van bewust geweest dat de minister omtrent zijn capaciteiten en ervaring een onjuist beeld had verkregen, en had de minister daarop moeten wijzen. De minister heeft tot de overtuiging kunnen komen dat er geen vertrouwensbasis meer aanwezig was en heeft derhalve kunnen afzien van het voornemen appellant aan te nemen op de beoogde functie.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep in hoofdzaak zijn eerdere stellingen herhaald. Kort gezegd heeft hij gesteld dat het niveau van een kandidaat niet enkel en alleen kan worden afgemeten aan het salaris dat deze persoon verdient. Hij hoefde als sollicitant tijdens de onderhandelingen niet het achterste van zijn tong te laten zien over zijn inkomsten bij het Ministerie van Justitie. Onjuistheden heeft hij daarbij niet vermeld. Zelfs heeft hij in de concept-aanstellingsbrief die hij van de directeur POI voor commentaar ontving een tweetal aanduidingen die suggereerden dat hij reeds op het maximum van schaal 13 bezoldigd werd, gecorrigeerd. Mede gelet op het verschil in beleid tussen departementen bij het toekennen van mobiliteitstoeslagen kan volgens appellant niet worden gesteld dat deze toeslag slechts bij horizontale overplaatsing wordt toegepast. Hij heeft aan het pakket van arbeidsvoorwaarden dat hem door POI werd aangeboden de uitleg mogen geven dat dit hem werd toegekend omdat de functie moeilijk te vervullen was en POI hem erg graag wilde hebben.

3.2. De minister heeft tegen de stellingen van appellant gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

4.1. Naar aanleiding van de - eerst ter zitting van de Raad geuite - grief van appellant dat ten onrechte zonder zijn toestemming salarisgegevens zijn geverifieerd, is namens de minister onweersproken verklaard, dat dit tot de standaardprocedure behoort die wordt gevolgd bij overplaatsing van ambtenaren die in algemene dienst van het Rijk zijn aangesteld. De Raad is niet gebleken waarom deze handelwijze onrechtmatig zou zijn daargelaten welk gevolg daaraan voor het onderhavige geval verbonden zou moeten worden.

4.2. De Raad stelt vast dat partijen in hoge mate verdeeld zijn omtrent hetgeen tijdens de sollicitatiegesprekken en de daarop volgende onderhandelingen tussen partijen is gezegd en gesuggereerd. Wat er ook zij van de juistheid van de over en weer gegeven lezingen van de toedracht, de Raad is in ieder geval van oordeel dat appellant ten tijde in geding (nog) niet de capaciteiten en ervaring had die bij POI, mede op basis van de wijze waarop appellant zich presenteerde, mocht worden verondersteld. In het bijzonder uit de formulering van de financiële arbeidsvoorwaarden in de concept-afsprakenbrief, die appellant ontving, had ook voor hem duidelijk kunnen zijn dat POI hierover een onjuist beeld had. Als appellant zich, zoals hij heeft gesteld, hiervan niet bewust is geweest, behoort dat naar het oordeel van de Raad in de gegeven omstandigheden voor zijn risico te komen. De minister mocht dan ook redelijkerwijze weigeren appellant op de beoogde functie aan te nemen. Voor vergoeding van schade, zoals door appellant verzocht, ziet de Raad geen grond.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

HD