Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
07-5106 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dagloonvaststelling WAO. Is uitgegaan van een juist bedrag aan inkomsten uit arbeid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/5106 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 juli 2007, 06/1228 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Bij brief van 16 november 2007 heeft het Uwv een vanwege de Raad gestelde vraag beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Appellant is in persoon verschenen bijgestaan door mr. van der Veen, voornoemd. Voor het Uwv is verschenen B.W. Kloosterhuis, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellant is een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering werd vanaf 1 december 1986 niet, dan wel gedeeltelijk uitbetaald in verband met inkomsten uit arbeid.

Bij besluit van 2 juni 2006 heeft het Uwv de korting op de uitkering van appellant met ingang van 31 mei 2006 beëindigd, omdat hij vanaf die datum geen inkomsten uit arbeid meer genoot. In dit besluit is aangegeven dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 31 mei 2006 70% van (100/108) van het (vervolg)dagloon van € 92,43 bedraagt, te weten € 59,91 bruto per uitkeringsdag.

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 juni 2006 kennelijk ongegrond verklaard, nu dit bezwaar ziet op het wettelijk vastgestelde uitkeringspercentage van 70.

Tegen het besluit van 20 juli 2006 heeft appellant beroep ingesteld. Daarbij heeft hij aangegeven zich niet te kunnen verenigen met het dagloon, zoals vermeld in het besluit van 2 juni 2006.

Hangende het beroep heeft het Uwv bij besluit van 7 mei 2007 (onder meer) het dagloon van de WAO-uitkering van appellant per 31 mei 2006 vastgesteld op € 95,-. Per die datum bedraagt zijn uitkering dan ook € 61,57 bruto per dag (70% van 100/108 van € 95,-). Het dagloon is verkregen door appellants verdiensten in de periode van 1 juni 2003 tot en met 31 mei 2004 (€ 24.642,43) te delen door 261. De verdiensten van appellant in deze periode bestonden uit inkomsten uit arbeid

(€ 19.012,42) en een bedrag aan WAO-uitkering (€ 5.630,01).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen het besluit van 20 juli 2006 en het beroep dat appellant op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het besluit van 7 mei 2007, ongegrond verklaard.

In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of het Uwv op basis van de zich onder de gedingstukken bevindende salarisspecificaties bij zijn besluit van 7 mei 2007 uit is gegaan van een juist bedrag aan inkomsten uit arbeid.

Met appellant stelt de Raad vast dat het Uwv bij de dagloonvaststelling over het hoofd heeft gezien een in december 2003 uitbetaalde, tot het SV-loon behorende eindejaarsuitkering ten bedrage van € 533,63. Voorts blijkt niet of en in hoeverre het Uwv rekening heeft gehouden met de in mei 2004 uitbetaalde vakantietoeslag ten bedrage van € 1.647,71. Voor het overige is het Uwv van juiste bedragen uitgegaan.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep tegen het besluit van 7 mei 2007 dient alsnog gegrond te worden verklaard.

De Raad acht tot slot termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 44,02 voor reiskosten, totaal € 688,02.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 mei 2007 gegrond en vernietigt dit besluit;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 688,02, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

AR