Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD0034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
07-2761 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering om een vergoeding van kosten verbonden aan aanschaf van een auto toe te kennen. Is er bij betrokkene sprake van een onmogelijkheid om te reizen per taxi?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2761 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 10 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 maart 2007, kenmerk JZ/I/70/2007, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2007. Daar is appellante niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Blijkens de gedingstukken is appellante, geboren in 1953, met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid (oud), van de Wet met de vervolgde gelijkgesteld. In dat verband is aanvaard dat appellante psychische klachten heeft die in overwegende mate in verband staan met de vervolgingsgevolgen van haar vader. Een dergelijk verband is niet aanvaard ten aanzien van de bij appellante aanwezige rugklachten.

2. Bij een na bezwaar genomen besluit van 19 maart 1997 heeft verweerster haar afwijzing gehandhaafd van een door appellante in april 1996 ingediende aanvraag om toekenning van een bijzondere voorziening op grond van de Wet ten aanzien van de kosten verbonden aan de aanschaf van een auto, op de grond dat er bij appellante geen totale beperking bestaat om met het openbaar vervoer te reizen. Het tegen het besluit van 19 maart 1997 ingestelde beroep heeft de Raad bij uitspraak van 8 oktober 1998, nummer 97/3712 WUV, ongegrond verklaard.

3. Vervolgens heeft appellante in juni 1999 bij verweerster een hernieuwde aanvraag ingediend om toekenning van een bijzondere voorziening terzake van de kosten verbonden aan de aanschaf van een auto. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 22 september 1999, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van

29 september 2000, op de grond - kort gezegd - dat er geen medische of medisch-sociale indicatie aanwezig is in verband met de bij appellante, uit de vervolgingsgevolgen van haar vader voortvloeiende, bestaande psychische klachten. Bij uitspraak van 20 maart 2003, nummer 00/5527 WUV, heeft de Raad het tegen het besluit van 29 september 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. In april 2006 heeft appellante bij verweerster wederom een aanvraag ingediend om toekenning van een vergoeding van de kosten verbonden aan de aanschaf van een auto.

4.1. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 10 november 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de overweging dat niet is gebleken dat appellante onder geen enkele omstandigheid van het openbaar vervoer en taxi gebruik kan maken.

5. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

5.1. Verweerster hanteert bij voorzieningen ter zake van de aanschafkosten van een auto het uitgangspunt dat deze uitsluitend kunnen worden toegekend indien bij de betrokkene sprake is van een absolute verhindering om van het openbaar vervoer en van een taxi gebruik te maken. De Raad heeft reeds meermalen uitgesproken deze benadering van verweerster in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wet te achten en voorts dat hij verweerster gerechtigd acht aan deze benadering een strikte toepassing te geven.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante normaliter geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, om welke reden zij door verweerster reeds eerder in aanmerking is gebracht voor een vergoeding van de kosten van sociaal vervoer. Het geding spitst zich toe op de vraag of er bij appellante sprake is van een onmogelijkheid om te reizen met een taxi.

5.3. Het standpunt van verweerster dat een zodanige situatie zich in het geval van appellante niet voordoet, is in overeenstemming met medische adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op bij verweerster ingevolge eerdere aanvragen over appellante al bekende medische informatie en recente aanvullende informatie van met name de huisarts. Uit deze gegevens komt naar voren dat van een onmogelijkheid van het reizen per taxi niet is gebleken.

5.4. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de genoemde adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om het in deze adviezen neergelegde en door verweerster gevolgde standpunt voor onjuist te oordelen. Appellante heeft ook zelf verklaard met een taxi te kunnen reizen als er steeds sprake is van dezelfde chauffeur, maar dat dit alleen vanwege de sociale controle niet wenselijk wordt geacht.

6. Voor zover appellante heeft gewezen op de hoge kosten die het reizen per taxi met zich brengt, merkt de Raad op dat voor dergelijke kosten de vergoeding voor het onderhouden van sociale contacten dient te worden aangewend.

7. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

8. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) P.W.J. Hospel.

BvW