Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
06/2986 WAO, 06/2987 WAO, 06/2988 WW, 06/2989 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Intrekking WW-uitkering. Weigering ziekengeld. Intrekking WAO-uitkering met terugwerkende kracht. Terugvorderingen. Werknemersfraude? Gefingeerd dienstverband? Geen enkel bewijs dat betrokkene heeft gewerkt. Bestuursrechter niet gebonden aan vonnis strafrechter.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, geldigheid: 2008-04-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2986 WAO, 06/2987 WAO, 06/2988 WW en 06/2989 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2006, 05/1500, 05/4652, 05/4764 en 05/5772 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2008. Namens appellante is verschenen mr. Kuit, terwijl het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 10 oktober 2000 een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In dit verband heeft zij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd overgelegd, gedateerd 3 april 2000 en afgesloten met Uitzendbureau [naam uitzendbureau] te Den Haag voor de periode 3 april 2000 tot en met 3 oktober 2000. Aan appellante is met ingang van 4 oktober 2000 een WW-uitkering toegekend. Per 18 december 2000 heeft zij zich ziek gemeld. Naar aanleiding van deze ziekmelding is overgegaan tot verlening van ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Na een zogeheten eindewachttijdbeoordeling is aan appellante een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 8 december 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 februari 2005 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

Vervolgens is een aantal besluiten genomen naar aanleiding van een rapport werknemersfraude van 18 februari 2005. De conclusie van dit rapport luidt dat appellante feitelijk niet werkzaam is geweest via Uitzendbureau [naam uitzendbureau] en dat sprake is geweest van een fictief dienstverband. Het Uwv heeft zich op basis van dit rapport op het standpunt gesteld dat aan appellante ten onrechte uitkeringen op grond van de WW, ZW en WAO zijn verstrekt.

Bij besluit van 21 maart 2005 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat met ingang van 2 oktober 2000 geen recht bestaat op een WW-uitkering. Bij besluit van 24 maart 2005 is van appellante onverschuldigd uitbetaalde WW-uitkering teruggevorderd over de periode 2 oktober 2000 tot en met 17 december 2000 tot een bedrag van € 1.465,93. Appellante heeft tegen de besluiten van 21 maart 2005 en 24 maart 2005 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 augustus 2005 (hierna: besluit 2) zijn deze bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 april 2005 is door het Uwv aan appellante meegedeeld dat vanaf 18 december 2000 geen recht bestaat op ziekengeld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 augustus 2005 (hierna: besluit 3) ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 maart 2005 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat wordt geweigerd om met ingang van

17 december 2001 een WAO-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 19 april 2005 heeft het Uwv de over de periode

17 december 2001 tot en met 31 maart 2005 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd tot een bedrag van

€ 39.422,14 (bruto). De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 26 augustus 2005 (hierna: besluit 4) ongegrond verklaard.

Tegen de besluiten 1 tot en met 4 heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten 2 tot en met 4 ongegrond verklaard. Het beroep tegen besluit 1 is niet-ontvankelijk verklaard. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat, gezien de ongegrondverklaring van het beroep tegen besluit 4, geen belang meer bestaat bij de beoordeling van besluit 1.

In hoger beroep is appellante opgekomen tegen de ongegrondverklaring van de beroepen tegen de besluiten 2 tot en met 4.

Aan de Raad ligt de vraag voor of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank over de bestreden besluiten.

Het Uwv heeft ter onderbouwing van zijn standpunt gewezen op de in het rapport werknemersfraude opgenomen verklaring van de heer T., directeur van Uitzendbureau [naam uitzendbureau]. Deze verklaarde dat hij zich de naam van appellante niet herinnerde. Voorts verklaarde hij dat hij de gegevens van anderen had gebruikt om de uren van onbekenden weg te schrijven en dat hij aan de betreffende personen onder wie appellante een arbeidsovereenkomst, loonstroken en een ontslagbrief heeft gegeven. Daarnaast heeft het Uwv zich beroepen op de getuigenverklaringen van de vijf opdrachtgevers van Uitzendbureau [naam uitzendbureau] in Nieuwerkerk aan den IJssel en Moerkapelle, zijnde de plaatsen waar appellante volgens haar verklaring zou hebben gewerkt. Deze opdrachtgevers hebben allen stellig verklaard dat bij hen via [naam uitzendbureau] alleen mannen hebben gewerkt en nooit vrouwen.

Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt verklaard dat van een gefingeerd dienstverband geen sprake was. Zij houdt vol dat zij gedurende de desbetreffende periode werkzaam was via Uitzendbureau [naam uitzendbureau] bij bedrijven in Moerkapelle en Nieuwerkerk aan den IJssel. Zij stelt dat zij in een schuur met rozen werkte en elke week het loon contant kreeg uitbetaald. Zij benadrukt dat de opdrachtgevers niet de waarheid spreken wanneer zij stellen nooit vrouwelijke werknemers via Uitzendbureau [naam uitzendbureau] te hebben ingeleend. Voorts heeft zij erop gewezen dat de politierechter haar heeft vrijgesproken van valsheid in geschrifte en socialeverzekeringsfraude.

De Raad is van oordeel dat het Uwv met voormelde getuigenverklaringen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niettegenstaande de schriftelijke arbeidsovereenkomst van een daadwerkelijk dienstverband tussen Uitzendbureau [naam uitzendbureau] en appellante geen sprake is geweest. Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De Raad acht de verklaring van appellante dat zij een half jaar aaneengesloten voltijds heeft gewerkt niet geloofwaardig. De Raad acht daarbij mede van belang dat appellante, afgezien van de periode die is neergelegd in de schriftelijke arbeidsovereenkomst, nooit heeft gewerkt. Bovendien heeft appellante haar verklaring met geen enkel concreet bewijs onderbouwd. Wanneer appellante inderdaad een half jaar in de rozenteelt zou hebben gewerkt, had kunnen worden verwacht dat zij ten minste enige concrete en verifieerbare gegevens kon verstrekken over de werklocaties, de werksituatie en de collega’s met wie zij heeft samengewerkt. Het noemen van twee plaatsnamen en de mededeling dat in een schuur werd gewerkt kan niet als concreet bewijs worden aangemerkt. Tot slot merkt de Raad op dat de vrijspraak door de politierechter aan het voorgaande niet afdoet, aangezien de bestuursrechter bij de vaststelling van de feiten en de beoordeling van het hem voorgelegde geschil niet gebonden is aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de strafrechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Bovendien blijkt uit het door appellante overgelegde vonnis niet op welke gronden zij is vrijgesproken van de haar tenlastegelegde strafbare feiten.

De Raad is tot de conclusie gekomen dat de besluiten 2 tot en met 4 terecht en op goede gronden zijn genomen. Hieruit volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en J.F. Bandringa en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) E.M. de Bree.

MK