Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
06-3917 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Cbbs rechtens aanvaardbaar. Eerst in hoger beroep afdoende toelichting op signaleringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3917 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 juni 2006, 05/2397 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P.M.A. Willems, medewerker van ARAG-Nederland Algemene Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 maart 2008, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 18 maart 2005 heeft het Uwv de aan appellant verstrekte uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 18 mei 2005 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Appellant is in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank het ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard. Daartoe heeft appellant in het beroepschrift aangevoerd dat het Uwv de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten onrechte heeft uitgevoerd met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Appellant is van mening dat het CBBS-systeem ook na de per 1 juli 2005 aangebrachte aanpassing nog steeds onvoldoende inzichtelijk, onvoldoende toetsbaar en onvoldoende verifieerbaar is. In dat verband heeft appellant verwezen naar uitspraken van de Raad van 9 november 2004 en uitspraken van de rechtbank Almelo van 13 januari 2006, onder meer LJN AU9709.

Gezien het beroepschrift van appellant is het hoger beroep beperkt tot de door appellant opgeworpen arbeidskundige grieven.

Met betrekking tot het door het Uwv gehanteerde CBBS verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraken van 9 november 2004, onder meer LJN AR4717, zijn uitspraken van 12 oktober 2006, onder meer LJN AY9971, en zijn uitspraken van

23 februari 2007, onder meer LJN AZ9153.

De Raad heeft - kort gezegd - overwogen dat het CBBS in beginsel rechtens aanvaarbaar is te achten als ondersteunend systeem bij de bepaling van (de mate van) arbeidsongeschiktheid, maar dat het een aantal onvolkomenheden vertoont en dat, zolang het CBBS niet wordt aangepast, zwaardere eisen worden gesteld aan de motivering van schattingsbesluiten. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk bij de beslissing op het bezwaar aan die eisen wordt voldaan. In het geval in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep een besluit op bezwaar alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Met betrekking tot het nieuwe CBBS is de Raad tot de slotsom gekomen dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende, in zijn evengenoemde uitspraken van 9 november 2004 beschreven onvolkomenheden, in voldoende mate zijn opgeheven. Hieruit volgt dat de grief van appellant dat het CBBS-systeem ook na de per 1 juli 2005 aangebrachte aanpassing nog steeds onvoldoende inzichtelijk, onvoldoende toetsbaar en onvoldoende verifieerbaar is niet slaagt.

Wat betreft de signaleringen met een G heeft de Raad overwogen dat alle door het CBBS-systeem op de functiebelastingen aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk zal zijn.

Bij brief van 21 januari 2008 heeft het Uwv een rapportage ingezonden van de bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris van dezelfde datum, waarin alle signaleringen in de functiebelasting van de aan de onderhavige schatting ten grondslag gelegde functies van een toelichting zijn voorzien. De Raad is van oordeel dat daarmee genoegzaam is gemotiveerd dat de betreffende functies in overeenstemming zijn met de voor appellant geldende beperkingen.

De vaststelling dat het bestreden besluit eerst is voorzien van een deugdelijke onderbouwing nadat de beslissing op bezwaar is genomen leidt de Raad tot de conclusie dat dit besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen ervan, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten. Daaruit volgt tevens dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist als hierna in rubriek III. is aangegeven.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Lochs.

RJB