Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
06-3873 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Veroordeling betrokkene in proceskosten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:88, geldigheid: 2008-04-01
Beroepswet 21, geldigheid: 2008-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2008/138

Uitspraak

06/3873 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van

[Verzoeker] (hierna: verzoeker),

om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 april 2006 04/180

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 april 2006, 04/180.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2008. Namens verzoeker is mr. De Jonge verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:88 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), juncto artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Bij de uitspraak waarvan thans om herziening is verzocht, heeft de Raad, oordelend op het hoger beroep van verzoeker, de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2003, 01/704, bevestigd voor zover deze werd aangevochten. Onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie heeft de Raad, met de rechtbank, geoordeeld dat de kosten van de in bezwaar en beroep overgelegde rapporten van mevrouw Verhage niet worden vergoed.

Het verzoek om herziening is uitsluitend gericht tegen de weigering de kosten van de genoemde rapporten voor vergoeding in aanmerking te brengen. Gemachtigde van verzoeker heeft betoogd dat er wel reden is om deze kosten te vergoeden.

Het Uwv heeft naar aanleiding van dit verzoek het volgende naar voren gebracht. Volgens het Uwv is het onderhavige verzoek, gezien de vaste jurisprudentie van de Raad, volstrekt kansloos. Het Uwv heeft in dit verband verzocht om niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek, hetzij op de grond dat er geen sprake is van een procesbelang, hetzij op de grond dat verzoeker misbruik maakt van procesrecht. Voorts heeft het Uwv verzocht om veroordeling van verzoeker in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb.

De Raad overweegt als volgt.

In de eerste plaats is de Raad van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat verzoeker in het geheel geen procesbelang heeft bij het indienen van het onderhavige verzoek. Het verzoek is erop gericht dat de kosten verbonden aan een aantal door Instituut Psychosofia uitgebrachte rapporten alsnog voor vergoeding in aanmerking worden gebracht en op voorhand kan niet worden gezegd dat dit resultaat met het indienen van dit verzoek niet kan worden bereikt. Naar het oordeel van de Raad is er evenmin aanleiding om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat sprake is van misbruik van procesrecht. Hierbij wijst de Raad erop dat de Awb, indien sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, slechts voorziet in de bevoegdheid van de rechter om een natuurlijk persoon in de proceskosten te veroordelen. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 2 mei 2006, LJN AW7290.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 13 januari 2005, LJN AS3516, is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, eventueel op basis van nieuwe argumenten, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. De Raad stelt vast dat het onderhavige verzoek om herziening er uitsluitend op is gericht een discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van 28 april 2006 en dat geen enkel nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb naar voren is gebracht. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.

Met betrekking tot het door het Uwv gedane verzoek om veroordeling van verzoeker in de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Bij uitspraak van 13 april 2005, LJN AT4323 heeft de Raad overwogen, kort samengevat, dat de kosten van door Instituut Psychosofia uitgebrachte rapporten niet voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komen. Dit oordeel is door de Raad nadien bij vele uitspraken herhaald. Hierbij merkt de Raad op dat in alle desbetreffende zaken mr. De Jonge als gemachtigde is opgetreden. Thans tracht verzoeker, bijgestaan door mr. De Jonge, via de weg van een verzoek om herziening op grond van artikel 8:88 van de Awb de hiervoor bedoelde kosten alsnog vergoed te krijgen, zonder dat daarbij enig relevant nieuw feitelijk gegeven naar voren is gebracht. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de Raad van oordeel dat hier sprake is van een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht zoals bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb. Daarom zal verzoeker, zoals het Uwv heeft verzocht, in de kosten van de onderhavige procedure worden veroordeeld. Deze kosten zijn begroot op € 16,50 wegens gemaakte reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot een bedrag van € 16,50, te voldoen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

TM