Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9885

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
06-2595 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Doorslaggevende betekenis toegekend aan oordeel onafhankelijk deskundige. Eerst in hoger beroep afdoende arbeidskundige onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2595 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 april 2006, 05/154 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2008.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 3 augustus 1998 wegens darmklachten en pijnklachten in verband met osteoporose uitgevallen voor zijn werk als medewerker technische dienst. Met ingang van 2 augustus 1999 is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 22 juli 2004 is appellant in verband met een herbeoordeling gezien door een verzekeringsarts, die hem op basis van zijn onderzoeksbevindingen zonder urenbeperking geschikt achtte voor niet te belastend werk met enige afwisseling in zitten, lopen en staan. De vastgestelde beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Met inachtneming hiervan heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd, waarmee appellant een zodanig inkomen kon verdienen dat hij voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt werd beschouwd.

Bij besluit van 10 september 2004 is de uitkering ingevolge de WAO dienovereenkomstig met ingang van 3 november 2004 herzien.

Naar aanleiding van het bezwaar tegen voormeld besluit heeft bezwaarverzekeringsarts N. Visser op 17 januari 2005 een rapport uitgebracht. Visser heeft op basis van de beschikbare medische gegevens, waaronder informatie van de behandelend sector, vastgesteld dat de primaire verzekeringsarts veel beperkingen had aangegeven, maar dat er geen grond was om hiervan af te wijken.

Een bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens nader gerapporteerd over de voor appellant geschikt te achten functies.

Bij besluit van 17 januari 2005 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 10 september 2004 ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant een rapport ingebracht van 16 mei 2005 van medisch adviseur D.J. Schakel, die appellant sterker beperkt achtte dan door de betrokken (bezwaar)verzekeringsarts was aangenomen en op basis daarvan geen van de geduide functies geschikt achtte.

Op verzoek van de rechtbank heeft C.S.H. Haarsma, revaldatie-arts te Glimmen, op 27 september 2005 een rapport uitgebracht omtrent de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding. Deze deskundige was op grond van zijn onderzoek van mening dat bij appellant sprake was van niet verklaarbare klachten met een discordantie tussen pijnbeleving en geverifieerd pijngedrag en naar medische maatstaven slechts geringe beperkingen met betrekking tot het houdings- en bewegingsapparaat, met name voor fysiek zware en langdurige arbeid en activiteiten. Volgens de deskundige kwamen de door hem vermelde beperkingen overeen met die welke zijn weergegeven door de betrokken verzekeringsarts. Hij achtte appellant op de datum in geding in staat om gedurende hele dagen arbeid in de voor hem geschikt geachte functies te verrichten.

De rechtbank heeft de conclusie van de door haar ingeschakelde deskundige overgenomen en op grond hiervan geconcludeerd dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld. Hetgeen appellant aan medische gronden had aangevoerd leidde de rechtbank niet tot een ander oordeel. Nu niet was gesteld dat de belasting in vorenbedoelde functies niet bleef binnen de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen was de rechtbank van oordeel dat de geduide functies, met uitzondering van de in de bezwaarfase reeds afgevallen functie van medisch laborant (Sbc-code 493020), geduid konden worden.

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan het door voornoemde deskundige op 27 september 2005 uitgebrachte rapport. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek van appellant, waarbij nadrukkelijk aandacht is besteed aan het fibromyalgie-syndroom, en kennis heeft genomen van de in het dossier aanwezige medische gegevens, waaronder informatie van de behandelend sector. De in hoger beroep nog ingebrachte medische gegevens vormen geen reden om de conclusie van de deskundige niet te onderschrijven. De Raad wijst in dit verband op een rapportage van bezwaarverzekeringsarts N. Visser, die terecht heeft opgemerkt dat de in hoger beroep nog overgelegde uitslag van een op 27 januari 2006 gemaakte MRI-scan, geen afwijkende bevindingen te zien geeft.

Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat het Uwv in hoger beroep een uitgebreide toelichting op de functiebelastingen en de daarin voorkomende overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant heeft gegeven. De Raad ziet in hetgeen van de zijde van appellant in dit verband is aangevoerd geen reden voor twijfel aan deze toelichting en is dan ook van oordeel dat de geschiktheid van de functies thans voldoende vaststaat.

De Raad stelt echter vast dat pas in de hoger beroepsfase uiteindelijk de gewenst geachte arbeidskundige onderbouwing is gegeven. Gelet op jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het Claim Beoordeling- en Borgingssysteem moet dit tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1449,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1449,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Lochs.

RJB