Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
06-4003 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering tegemoetkoming in kosten viering jubileum, op eigen initiatief, toe te kennen. Regels ten aanzien van ambtsjubilea vastgelegd in notitie. Gelijkheidsbeginsel? Bijzondere omstandigheden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/136

Uitspraak

06/4003 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 juni 2006, 05/1328 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 3 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2008. Appellant is in persoon verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Leersum, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst[vestiging]d, was op zondag 1 augustus 2004 40 jaar in dienst bij de Belastingdienst. Ter gelegenheid van dit 40-jarig ambtsjubileum heeft hij, op eigen initiatief, die dag thuis in zijn tuin een receptie gegeven.

1.2. Bij brief van 27 december 2004 heeft appellant verzocht om toekenning van een tegemoetkoming van € 350, in de kosten van deze viering van zijn jubileum. Bij besluit van 27 januari 2005, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 mei 2005, heeft de staatssecretaris dit verzoek afgewezen.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

2.1. Met het oog op de verdeling van het beschikbare budget voor ambtsjubilea en recepties heeft het managementteam (hierna: MT) van de eenheid Belastingdienst/ [vestiging] regels gesteld in de notitie “Budget ambtsjubilea en afscheidsrecepties en recepties bij Koninklijke onderscheidingen” van 18 juni 2003 (hierna: notitie). In de overlegvergadering van 24 juni 2003 heeft de ondernemingsraad met deze regels ingestemd. Een van de kernpunten van de notitie is dat, aangezien een ambtsjubileum een zakelijke aangelegenheid is en met overheidsgeld wordt gefinancierd, feesten, recepties of traktaties uitsluitend in een gebouw van de Belastingdienst dienen plaats te vinden. Motief daarvoor is niet alleen de kostendrukkende factor, maar ook de uitstraling. Aan de ondernemingsraad is wel toegezegd dat, wanneer het budget voor een jubilarissenfeest echt problemen oplevert, maatwerk mogelijk is, mits dit van tevoren met het MT wordt besproken.

2.2. Appellant betoogt onder verwijzing naar het gelijkheidsbeginsel dat het vergoedingenbeleid met betrekking tot jubileumkosten landelijk gezien een lappendeken is. Zijns inziens had dit beleid niet op het niveau van de eenheid mogen worden vastgesteld. De Raad volgt appellant hierin niet. De wijze waarop ambtsjubilea worden gevierd is een zaak van overwegend huishoudelijke aard, waarbij op het lokale niveau bestaande wensen en mogelijkheden in aanmerking mogen worden genomen. Het uitgangspunt dat rechtspositionele aangelegenheden door het bevoegd gezag centraal worden geregeld en dat verschillen tussen organisatieonderdelen voldoende objectieve rechtvaardiging behoeven, staat dan ook niet aan het treffen van een plaatselijke regeling met betrekking tot dit onderwerp in de weg. Evenmin kan de enkele vaststelling dat de in de notitie gestelde regels afwijken van hetgeen bij andere eenheden van de Belasting-dienst gebruikelijk is tot het oordeel leiden dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Gegeven die verschillen kan in de door appellant genoemde gevallen niet van vergelijkbare situaties worden gesproken.

2.3. Naar het oordeel van de Raad gaat de hier aan de orde zijnde, in de notitie neergelegde regeling de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

Dat het MT inmiddels, na een met de ondernemingsraad afgesproken evaluatie, gedeeltelijk van die regeling is teruggekomen, maakt dit niet anders en doet ook overigens niet af aan de regeling zoals deze ten tijde hier van belang luidde. De stelling van appellant dat hem bij de viering van zijn 25 jarige jubileum wel een tegemoetkoming is verleend, treft om dezelfde reden geen doel.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de wijze waarop appellant zijn ambtsjubileum heeft gevierd niet voldeed aan de voorwaarde dat het feest in een gebouw van de Belastingdienst dient plaats te vinden. Daarop is appellant, voorafgaand aan de jubileumviering, ondubbelzinnig door een lid van het MT gewezen. Dat appellant vervolgens toch zijn eigen opvatting omtrent de viering heeft doorgezet, brengt niet met zich dat het MT gehouden was om opnieuw met hem in overleg te treden.

2.5. Wat betreft de stelling van appellant dat het bevoegd gezag in zijn geval maatwerk had dienen toe te passen, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de toezegging van maatwerk aan de ondernemingsraad uitsluitend ziet op jubilarissenfeesten dit zijn collectieve vieringen door meerdere jubilarissen tegelijk en niet (tevens) op individuele vieringen van het ambtsjubileum. Deze uitleg vindt naar het oordeel van de Raad genoegzaam steun in de gedingstukken, waaronder het verslag van de overlegvergadering van 24 juni 2003. Nu appellant zelf uitdrukkelijk voor een individuele viering heeft gekozen, kan hij niet met een beroep op maatwerk aanspraak maken op vergoeding geheel of gedeeltelijk van de daaraan verbonden kosten. Ook hieraan doet het ontbreken van nader voorafgaand overleg niet af.

2.6. Hetgeen door appellant is aangevoerd, wijst evenmin op het bestaan van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de staatssecretaris niet onverkort aan het in de notitie neergelegde beleid had mogen vasthouden. Het feit dat het jubileum op een zondag viel, de wens van appellant om het jubileum groots met zo'n 225 genodigden te vieren en de door appellant gevoelde intense verknochtheid aan de Belastingdienst kunnen afzonderlijk noch in onderlinge samenhang als zodanige omstandigheid worden aangemerkt.

2.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

3. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2008.

(get.) R. Kooper.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW