Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
06-4416 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering gemeentelijke aanvulling op FPU-uitkering terugwerkende kracht te verlenen tot ontslagdatum. Op een lijn stellen met verzoek terug te komen van eerder besluit. Nieuwe feiten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4416 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 juni 2006, 05/1470 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 14 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2007. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch. Appellant is niet verschenen.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend in verband met intern overleg. Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting en heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, geboren in 1941, heeft met ingang van 1 september 1997 gebruik gemaakt van een uitstroombevorderende maatregel op grond van het Sociaal Plan voor de reorganisatie van de ZOL-bedrijven (hierna: sociaal plan). In dat kader is hem met toepassing van artikel 8:11 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) per 1 juni 2002 eervol ontslag verleend wegens gebruikmaking van de FPU-regeling.

1.2. Bij uitspraak van 22 januari 2004 (LJN AO2912), in een geschil tussen een andere gewezen ambtenaar en het bestuur, heeft de Raad overwogen dat de uitstroombevorderende maatregel op grond van het sociaal plan voor de toepassing van artikel 5a:1 van de CAR niet op één lijn is te stellen met een der in hoofdstuk 5 van de CAR genoemde seniorenregelingen, die aan een aanspraak op een gemeentelijke aanvulling op de FPU-regeling (hierna ook: aanvulling werkgever of FPU Gemeenten) in de weg staan.

1.3. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft appellant op 16 oktober 2004 alsnog een aanvulling werkgever aangevraagd. Bij besluit van 18 november 2004 heeft het bestuur hem deze aanvulling toegekend met ingang van 1 november 2004. Bij besluit van 19 april 2005 is de ingangsdatum vervroegd naar 1 februari 2004, zijnde de eerste dag van de maand na de datum van 's Raads uitspraak. Bij het bestreden besluit van 16 juni 2005 heeft het bestuur het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep door partijen is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Met het hoger beroep wil appellant bereiken dat aan de toekenning van de gemeentelijke aanvulling op zijn FPU-uitkering alsnog terugwerkende kracht wordt verleend tot 1 juni 2002, de datum van zijn ontslag.

2.2. Het bestuur wil niet verder in de tijd teruggaan dan tot aan 1 februari 2004.

2.3. De Raad stelt vast dat over de toekenning van de aanvulling werkgever niet eerder een beslissing is genomen. Het inleidende verzoek van appellant is dan ook niet aan te merken als een verzoek om terug te komen van een eerder besluit. Dit neemt niet weg dat appellant tot 16 oktober 2004 geen aanvraag om toekenning van de aanvulling heeft ingediend. In de aanvraagformulieren ter verkrijging van de FPU-uitkering, waarin expliciete vragen zijn opgenomen over sectorale aanvullingen op de FPU in het algemeen en de FPU Gemeenten in het bijzonder, heeft hij door het (niet) plaatsen van kruisjes aangegeven geen aanspraak op een gemeentelijke aanvulling te willen maken. Van een verplichting van het bestuur om hem de aanvulling werkgever ambtshalve toe te kennen is niet gebleken. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat appellant in het aanvankelijk niet verkrijgen van de aanvulling heeft berust. De in geding zijnde weigering om alsnog volledige terugwerkende kracht te verlenen dient daarom voor de toetsing door de bestuursrechter met een weigering om van een besluit terug te komen op één lijn te worden gesteld (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250 en TAR 2001, 43).

2.4. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan een beroep ter zake echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechts-middelen in het bestuursrecht.

2.5. Gezien het vorenstaande dient de Raad zich (ook) in dit geval in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden alsnog tot toekenning met terugwerkende kracht tot 1 juni 2002 over te gaan.

2.6. Appellant heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. De uitspraak van de Raad van 22 januari 2004 kan niet als zodanig worden aangemerkt. Terecht vindt het bestuur de situatie van appellant een andere dan die van de collega's die bij hun ontslag wèl een aanvulling werkgever hebben aangevraagd en tegen de weigering daarvan rechtsmiddelen hebben ingesteld. Ook appellant had zich, na raadpleging van het bepaalde in de hoofdstukken 5 en 5a van de CAR, op het standpunt kunnen stellen dat de destijds door het bestuur verdedigde uitleg onjuist was en daartegen in rechte kunnen opkomen. Dat hij op de zienswijze van het bestuur is afgegaan, komt voor zijn eigen rekening en risico. Van misleiding door het bestuur is geen sprake. Gelet op het vorenstaande kan appellant niet staande houden dat het bestuur niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen of daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

2.7. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD