Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
06-1278 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig? Ten onrechte proceskostenvergoeding beperkt tot rechtsbijstand, ook kosten behandelaars komen voor vergoeding in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1278 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 januari 2006, 04/922 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. Reichardt, medewerker bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. Appellant is daarbij niet verschenen doch heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Reichardt en door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren in 1954, was laatstelijk werkzaam als assistent-accountant. Nadat hij in verband met psychische klachten was uitgevallen voor die functie is hem per 13 januari 2003 een uitkering toegekend in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Nadat appellant is onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts en nadat een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige aan de hand van de voor appellant vastgestelde beperkingen een aantal voor hem geschikte functies heeft geduid, heeft het Uwv bij besluit van 10 november 2003 de WAO-uitkering per 8 januari 2004 herzien naar de klasse van 35 tot 45%.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van die bezwaren heeft het Uwv appellant laten onderzoeken door een neuropsychiater. Naar aanleiding van diens rapportage en naar aanleiding van de eigen bevindingen van de voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv de medische grondslag van de beoordeling gehandhaafd. Ook de arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv gehandhaafd. Bij het thans bestreden besluit van 14 mei 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant derhalve ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In het kader van dat beroep heeft appellant een expertise van psychiater Oeberius Kapteijn ingebracht. Deze concludeerde onder meer dat appellant op de datum in geding niet over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikte. De rechtbank heeft vervolgens prof. dr. Richartz te Maastricht benoemd als deskundige en heeft hem verzocht appellant te onderzoeken en een aantal vragen te beantwoorden. Op 14 oktober 2005 hebben professor Richartz en drs. Dinjens, AIOS Psychiatrie, rapport uitgebracht. Zij onderschreven de belastbaarheid zoals die door het Uwv was vastgesteld, zij het dat zij ten aanzien van één onderdeel een beperking in uren aangewezen achtten. Het Uwv heeft het rapport van Richartz en Dinjens op dat onderdeel gemotiveerd weersproken. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar die rapportage en de gemotiveerde reactie van het Uwv, het standpunt van het Uwv onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de belastbaarheid van appellant niet overschat, terwijl de geduide functies voor hem geschikt geacht moesten worden. Gelet op de uitspraken van de Raad aangaande het gebruik van het zogenoemde Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) van 9 november 2004 (LJN AR4718 e.v.) heeft de rechtbank, tevens gelet op het feit dat eerst ter zake van het beroep een voldoende motivering voor de geschiktheid van de geduide functies is verstrekt, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand bleven. Daarbij heeft de rechtbank ter zake van de proceskosten aanleiding gezien om het Uwv slechts in de kosten van rechtsbijstand te veroordelen.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat in de geduide functies niet gemotiveerde en niet te motiveren overschrijdingen zijn opgenomen. Daarnaast heeft appellant er met name op gewezen dat het Uwv een onjuiste uitleg geeft aan de voor hem geldende beperking op het punt van het concentreren. Volgens appellant geldt die beperking, die voor hem is gesteld op niet langer dan een half uur op een informatiebron, voor elke vorm van concentratie, ongeacht de complexiteit van het werk. Ten slotte heeft appellant gesteld dat, aangezien het beroep bij de rechtbank gegrond werd verklaard, ook de kosten van de psychiater hadden moeten worden vergoed.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De Raad onderschrijft, mede gelet op de rapportage van Richartz en Dinjens, de door het Uwv voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd waarom ten aanzien van appellant geen urenbeperking van toepassing is. De Raad onderschrijft voorts de uitleg die is gegeven aan de beperkingen die ten aanzien van appellant worden aangenomen op het punt van het concentreren. Reeds uit de wijze waarop die beperking is geformuleerd (‘kan zich niet langer (dan) een half uur concentreren op een informatiebron’) volgt dat dit niet betekent dat appellant niet in staat zou zijn dan langer dan een half uur achtereen werkzaamheden te verrichten, maar dat binnen die werkzaamheden de spanningsboog voor de concentratie is beperkt tot een half uur. In zoverre slaagt het hoger beroep dan ook niet.

Appellant klaagt er terecht over dat de rechtbank de proceskostenveroordeling van het Uwv heeft beperkt tot de kosten van rechtsbijstand. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad (zie daarvoor reeds 9 januari 1996, LJN ZB5625) betreffen de kosten verbonden aan een rapportage door een psychiater en verbonden aan het verstrekken van informatie van behandelaars, kosten die een partij redelijkerwijs maakt in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, ook indien die rapportage en informatie niet hebben bijgedragen aan de oordeelsvorming door de rechter. Gelet op artikel 1, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, bepaalt de Raad deze kosten op € 1.137,36 in verband met kosten van psychiater Oeberius Kapteijn, €46,50 in verband met de reiskosten voor de expertise door Oeberius Kapteijn, €35,- in verband met de kosten van psychotherapeut Gerards en

€ 35,80 in verband met de kosten van de huisartsenpraktijk Brouwers/Limpens, zijnde het totaal van deze kosten derhalve

€ 1.254,66. De Raad zal het Uwv tevens veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke kosten de Raad bepaalt op € 644,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand. In totaal zal de Raad het Uwv derhalve veroordelen tot € 1898,66.

Derhalve dient beslist te worden als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de proceskostenveroordeling is beperkt tot de kosten van rechtsbijstand;

Veroordeelt de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de overige proceskosten tot een bedrag van € 1.254,66, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem ter zake van het hoger beroep gestorte griffierecht van € 103,-, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) J.W. Engelhart.