Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9801

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
07-3775 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuursorgaan geheel tegemoetgekomen aan bezwaar. Geen procesbelang meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3775 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 mei 2007, 06/5747 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

OVM Univé zorgverzekeraar U.A. (hierna: Univé),

Datum uitspraak: 16 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar echtgenoot, [naam echtgenoot], hoger beroep ingesteld.

Univé heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld op de zitting van 18 maart 2008. Namens appellante is verschenen ir. van Wijhe. Univé heeft zicht niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 11 augustus 2005 heeft Univé de aanvraag gedateerd 9 augustus 2005 van appellante om vergoeding van de kosten van behandeling door middel van een MoM-heupprothese ten bedrage van circa € 7.000,-- afgewezen.

1.3. Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) heeft bij advies van 22 september 2006 meegedeeld dat de Metal-on-Metal resurfacing (MoM) techniek een - vorm van medisch -specialistische zorg is die, gelet op de aangeduide internationale wetenschappelijke onderzoeksbevindingen, in de internationale kring der beroepsgenoten niet gebruikelijk en derhave geen verstrekking is in de zin van de destijds toepasselijke Ziekenfondswet.

1.4. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 augustus 2005 is onder vermelding van de onderzoeksbevindingen van het CVZ naar de stand van de internationale medische wetenschap ongegrond verklaard bij besluit van 26 september 2006. Dit besluit berust op het standpunt dat de search, selectie en beoordeling van het CVZ tot dan toe onvoldoende resultaten heeft opgeleverd om de aangevraagde behandeling als gebruikelijk in de internationale kring van beroepsgenoten te kunnen aanmerken. Daarbij is in het verweerschrift ter nadere toelichting aangegeven dat uit de ingevolge de jurisprudentie van de Raad in aanmerking te nemen relevante gegevens, waaronder wetenschappelijke publicaties en gezaghebbende meningen van specialisten, niet is gebleken dat de MoM behandeling door de internationale medische wetenschap in 2005 voldoende beproefd en deugdelijk werd bevonden.

1.5. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van 26 september 2006.

1.6. Univé heeft aan appellante en aan de rechtbank onder meer bij schrijven van 11 april 2007 meegedeeld dat eind 2006 de criteria voor de vergoeding van de aangevraagde behandeling zijn gewijzigd en dat, vooruitlopend op een te verwachten beleidswijziging van het CVZ, de kosten van de door appellante aangevraagde behandeling zullen worden vergoed. Ter zitting van de rechtbank is namens appellante verklaard dat er geen reden is te betwijfelen dat het gevraagde bedrag zal worden betaald en dat (enkel) wordt verzocht om vergoeding van het griffierecht.

1.7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens een gebrek aan procesbelang en bepaald dat Univé aan appellante het betaalde griffierecht vergoedt.

1.8. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1. Nu Unive hangende het beroep in eerste aanleg ten gunste van appelante volledig is teruggekomen op zijn - afwijzend - besluit op bezwaar en de door appellante gevraagde vergoeding, naar ter zitting van de Raad niet is weergesproken, is betaald ziet de Raad in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (onder meer: 23 augustus 2007, LJN BA2746 en 6 maart 2008,

LJN BC6034) volstaat voor een ontvankelijk beroep niet de enkele wens van een partij dat de Raad, (mede met het oog op mogelijk vergelijkbare situaties in de toekomst) een principiële uitspraak doet. Nu de rechtbank, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, terecht heeft geoordeeld dat appellante ook overigens geen rechtens relevant belang heeft bij een rechterlijke beoordeling van het besluit van 26 september 2006 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd voor zover aangevochten.

2.2. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) R.L. Rijnen.

RB