Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9799

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
07-4077 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon WIA-uitkering. Daadwerkelijk genoten loon. Naderhand in verband met functiewaardering toegekende loonsverhoging met terugwerkende kracht was niet reeds in referteperiode vorderbaar.

Wetsverwijzingen
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/185
RSV 2008, 233

Uitspraak

07/4077 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 juni 2007, 06/1795 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 16 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Voor appellant is verschenen mr. P.J. Ogtrop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Zoals aangekondigd, is betrokkene niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

In artikel 13, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is bepaald dat voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Op grond van artikel 13, derde lid, van de wet WIA kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld.

Dit laatste is geschied bij het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit).

In artikel 2, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat voor de toepassing van dit besluit de werknemer geacht wordt zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden.

Aan betrokkene is bij besluit van 10 juli 2006 ingaande 9 maart 2006 op grond van de Wet WIA een zogeheten IVA-uitkering toegekend naar een dagloon van € 161,--. Dit dagloon is gebaseerd op het loon dat appellant volgens opgave van zijn werkgever heeft ontvangen in de maanden maart 2003 tot en met februari 2004.

Tegen dit besluit heeft betrokkene een bezwaarschrift ingediend. Daarbij heeft hij er onder verwijzing naar een brief van zijn werkgever op gewezen dat er geen rekening is gehouden met een functiewaardering die in 2005 met terugwerkende kracht is doorgevoerd over 2003.

Bij besluit van 27 september 2006 heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant overwogen dat in overeenstemming met het Besluit voor de berekening van het dagloon moet worden uitgegaan van het SV-loon dat in het refertejaar (1 maart 2003 tot 1 maart 2004) daadwerkelijk is genoten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 september 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij haar uitspraak heeft de rechtbank beoordeeld of de situatie van betrokkene kan worden begrepen onder de uitzonderingssituatie van artikel 2, vierde lid, van het Besluit. Doordat de werkgever van betrokkene met terugwerkende kracht aan hem een hoger loon heeft toegekend, moet naar het oordeel van de rechtbank de aanspraak van betrokkene op een hogere beloning geacht worden vorderbaar te zijn geworden in 2003. Nu appellant in 2006 diende te bepalen wat het genoten loon van betrokkene in de referteperiode was, inclusief zijn eventueel vorderbare aanspraken in dat jaar, kan appellant naar het oordeel van de rechtbank niet voorbijgaan aan de met terugwerkende kracht toegekende hogere beloning. Immers, uitgangspunt voor de Wet WIA en de daarop gebaseerde regelingen is dat zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het feitelijke (reële) verdienvermogen van betrokkene in het refertejaar. De rechtbank heeft haar oordeel dan ook niet in strijd geacht met de ratio van artikel 2, vierde lid, van het Besluit, welke bepaling naar haar oordeel onredelijke of ongewenste uitkomsten beoogt te voorkomen.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Betrokkene kan zich in deze uitspraak vinden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Zoals uit artikel 13, eerste lid, van de wet WIA en artikel 2, eerste lid, van het Besluit blijkt is uitgangspunt bij de vaststelling van het dagloon, waarnaar een uitkering op grond van de wet WIA wordt berekend, het loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is de ratio van artikel 2, vierde lid, van het Besluit niet dat daarmee is beoogd onredelijke of ongewenste uitkomsten te voorkomen. Zoals in de Nota van Toelichting bij het Besluit is aangegeven, ziet deze bepaling op situaties waarin recht op loon bestaat, doch dat loon (nog) niet inbaar is. De Nota van Toelichting vermeldt dat het hierbij bijvoorbeeld kan gaan om een situatie waarbij de werkgever niet meer aanwezig is. Om te voorkomen dat loon waar de werknemer recht op heeft maar dat niet wordt uitbetaald, bijvoorbeeld in de situatie dat de werkgever met de noorderzon is vertrokken, het dagloon van de werknemer negatief wordt beïnvloed, is in het vierde lid bepaald dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in het refertejaar vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden.

Met appellant moet de Raad vaststellen dat betrokkene niet heeft aangetoond dat de in 2005 toegekende loonsverhoging met terugwerkende kracht reeds in de referteperiode van maart 2003 tot en met februari 2004 vorderbaar was. Overigens, indien betrokkene dit wel zou hebben aangetoond, zou daarmee nog niet gegeven zijn dat de loonaanspraak niet inbaar was. Ook aan dit laatste is de rechtbank voorbijgegaan.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. Onder vernietiging van de aangevallen uitspraak zal de Raad het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaren.

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

RB