Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9798

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
06-1684 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Is resterende verdiencapaciteit juist vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/1684 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Gravenhage van 27 januari 2006, 05/4956 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, voorzien van een arbeidskundige rapportage, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door

G.A. van der Weijden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 21 juli 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 21 september 2004 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 25% was. Bij besluit van 9 juni 2005 (verder: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juli 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant op de datum in geding in staat moest worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde belastbaarheid en dat de geduide functies voor hem geschikt moeten worden geacht. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat de vaststelling door het Uwv van de zogeheten reductiefactor en het mediane loon niet correct heeft plaatsgevonden.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de berekening van zijn resterende verdiencapaciteit door het Uwv niet op juiste wijze heeft plaatsgehad. Appellant heeft zelf de mate van zijn arbeidsongeschiktheid berekend op 39,92%.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Het geschil spitst zich, zoals door appellant ter zitting van de Raad desgevraagd bevestigd, toe op de vraag of het Uwv het resterende verdienvermogen van appellant juist heeft vastgesteld.

De Raad, zich in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beperkend tot dit geschilpunt, beantwoordt deze vraag bevestigend.

De Raad overweegt het volgende.

Appellant heeft in zijn maatgevende functie van zelfstandig bloembollenkweker, naar eigen opgave, circa 60 uur per week gewerkt. In de door de arbeidsdeskundige namens het Uwv met behulp van het zogeheten Claim Beoordelings- en Borgingssysteem geselecteerde en aan appellant voorgehouden functies is sprake van een werkweek van geringere omvang, te weten 36 uur. In verband hiermede is ingevolge de bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999 in het kader van de vaststelling van de theoretische verdiencapaciteit van appellant bij de berekening van het uurloon een reductiefactor aan de orde, die in het onderhavige geval 36:60 (de omvang van de geduide functie gedeeld door de omvang van de maatmanarbeid) 0,6 bedraagt, waardoor een reële vergelijking tussen het maatmaninkomen en de resterende verdiencapaciteit van appellant mogelijk is. Bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit kan op grond van onderdeel 5 van genoemde bijlage maximering van het mediane uurloon van de geduide functies op het maatmaninkomen per uur, zoals bepleit door appellant, slechts plaatsvinden indien er sprake is van een om medische redenen noodzakelijk geachte urenbeperking. Blijkens de rapportage van het Uwv van 9 december 2004 is er bij appellant geen sprake van een noodzaak voor een urenbeperking. In verband hiermede wordt appellant geacht 60 uur per week te kunnen werken.

Zoals het Uwv in de rapportage van 27 juni 2006 - naar het oordeel van de Raad met juistheid - heeft vastgesteld wordt appellants verdiencapaciteit bepaald aan de hand van de volgende functies:

Sbc-code 516180 (acquisiteur), aantal uren: 36, loon: € 15,73;

Sbc-code 317012 (verkoper groothandel), aantal uren: 36, loon: € 13,22;

Sbc-code 516150 (inkoper), aantal uren: 40, loon: € 11,57.

Voor de bepaling van de resterende verdiencapaciteit wordt uitgegaan van de waarde van de tweede functie. Na toepassing van de reductiefactor 36/60 is de theoretische verdiencapaciteit € 7,93. Deze uitkomst wijkt af van de verdiencapaciteit die eerder werd vastgesteld op € 7,08. De Raad volgt echter de door het Uwv gegeven verklaring dat dit verschil wordt veroorzaakt door het laten vervallen van één van de twee functies in de Sbc-code 516180, namelijk die van advertentie-acquisiteur. Vergelijking van de theoretische verdiencapaciteit van appellant met het voor hem geldende maatmanloon – € 5,31 bruto per uur - levert een loonverlies van 0% op. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is daarmede minder dan 25%.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) J.W. Engelhart.

RJB