Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9752

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
05-6232 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geduide functies voldoen aan vereiste van afwisseling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6232 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 26 september 2005, 05/131 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. Appellante noch haar gemachtigde zijn daarbij verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1959, is per 23 maart 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadat appellante in het kader van de zogenoemde vijfdejaarsherbeoordeling is onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts en nadat een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige aan de hand van de voor appellante vastgestelde beperkingen een aantal voor haar geschikte functies heeft geduid, heeft het Uwv bij besluit van 20 september 2004 de WAO-uitkering per 17 november 2004 ingetrokken.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van die bezwaren heeft een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts appellante onderzocht. De voor appellante vastgestelde belastbaarheid heeft het Uwv gehandhaafd. Wel heeft het Uwv één aan appellante voorgehouden functie laten vervallen. Dit leidde echter niet tot een andere mate van arbeidsongeschiktheid. Bij het thans bestreden besluit van 14 januari 2005 heeft het Uwv de intrekking van de WAO-uitkering per 17 november 2004 dan ook gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante onder meer gesteld dat meer gewicht had moeten worden toegekend aan de door haar geraadpleegde medisch adviseur. Daarbij wijst zij er op dat, gezien diens advies, de rechtbank een deskundige had moeten inschakelen en dat ten aanzien van haar in ieder geval een urenbeperking moet worden aangenomen. Appellante heeft er voorts op gewezen dat de wijze waarop het Uwv voor haar beperkingen heeft vastgelegd wellicht in strijd komt met het oordeel van de Raad dat is neergelegd in de uitspraak van 23 februari 2007 (LJN: AZ9153).

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad is van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De Raad kan de bevindingen van het Uwv in dat verband onderschrijven. Anders dan appellante blijkbaar veronderstelt, vloeit uit de systematiek van de WAO en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voort dat de Raad zich een oordeel kan vormen over de lichamelijke en geestelijke mogelijkheden en beperkingen van een betrokkene en is dat oordeel niet voorbehouden aan een medisch deskundige. De Raad ziet, gelet op hetgeen door appellante is aangedragen en op de reacties zijdens het Uwv, geen aanleiding om een deskundige te benoemen die appellante nader zou moeten onderzoeken en de Raad van advies zou moeten dienen.

Zoals ter zitting van de Raad is gebleken heeft het Uwv rekening gehouden met het feit dat appellante, gelet op haar beperkingen, haar werkhouding zal moeten kunnen afwisselen. De diverse toelichtingen in de voor haar geldende zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst geven daar blijk van. Uit de haar geduide functies blijkt voorts dat ruimschoots wordt voldaan aan dat vereiste van afwisseling. De door het Uwv daarvoor gegeven onderbouwing is voldoende inzichtelijk, controleerbaar en verifieerbaar. Van enige strijd met het oordeel van de Raad zoals dat is neergelegd in de genoemde uitspraak van 23 februari 2007 (LJN: AZ9153) is dan ook geen sprake.

De Raad ziet geen aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante op grond van artikel 8:75 van de Awb.

Derhalve dient beslist te worden als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) J.W. Engelhart.

JL