Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9740

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
06-2174 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAJONG-uitkering. Fibromyalgieklachten. Geduide functies passend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2174 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 maart 2006, 05/2072 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Delfgaauw.

II. OVERWEGINGEN

Appellante ontving sedert 23 augustus 1988 een uitkering op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet. Deze uitkering werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Destijds is door de verzekeringsarts als diagnose gesteld: wisselende gewrichtsklachten en moeheidsklachten.

Bij besluit van 1 november 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van – inmiddels – de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) met ingang van 26 december 2004 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 25% bedraagt.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 26 december 2004, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteerde volgens het Uwv niet in enig verlies aan verdiencapaciteit.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt als volgt.

Namens appellante is in hoger beroep alleen aangevoerd dat zij door de fibromyalgieklachten last heeft van stijfheid van de vingers en dat zij hierdoor beperkt is ten aanzien van hand- en vingergebruik. Zij is dan ook niet in staat om de hele dag productiewerk te verrichten waarbij sprake is van intensief handgebruik zoals dat voorkomt in alle geduide functies.

De Raad heeft, evenmin als de rechtbank, in de beschikbare stukken aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv, uitgaande van de conclusie van de verzekeringsarts die met de door de reumatoloog gediagnostiseerde fibromyalgie bij het vaststellen van de Functionele Mogelijkheden Lijst rekening heeft gehouden, van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Dat appellante, zoals zij stelt, door haar fibromyalgieklachten last heeft van stijfheid van de vingers, heeft ze niet nader onderbouwd met medische gegevens. De Raad is van oordeel dat de verzekeringsarts voldoende rekening heeft gehouden met de fibromyalgieklachten van appellante. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het medische aspect van het bestreden besluit onderschrijft de Raad. Voorts onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de belasting in de voorgehouden functies in overeenstemming is met de voor appellante vastgestelde beperkingen. Ook de Raad is van oordeel dat dit voldoende is toegelicht in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 september 2005. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, kan geen ander licht op de zaak werpen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. Voor vergoeding van schade als door appellante verzocht is ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het onderhavige geval dan ook geen plaats, zodat de Raad dit verzoek afwijst.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL