Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
06/3537 WAZ, 06/4971 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie met terugwerkende kracht. Bij nader besluit intrekking WAZ-uitkering per eerdere datum. In dit geval geen verslechtering van rechtspositie. Terecht geen medische onderzoek bij intrekking na 3 jaar toepassing anticumulatieregels? Overschrijding redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 58, geldigheid: 2008-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/193

Uitspraak

06/3537 WAZ en 06/4971 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 mei 2006, 05/1753 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Adviesgroep BV te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op een schrijven van appellant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door E.T. ’t Jong.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, fysiotherapeut van beroep, is bij besluit van 16 juni 1999 met ingang van 26 april 1998 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. Deze uitkering kwam echter aanvankelijk niet tot uitbetaling in verband met de inkomsten die appellant uit zijn praktijk genoot.

Het tegen het besluit van 16 juni 1999 gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 januari 2000 gegrond verklaard, in die zin dat vanaf 26 april 1998 de WAZ-uitkering van appellant met toepassing van artikel 58 van de WAZ wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

Met ingang van 1 januari 2000 is appellant zijn werkzaamheden als fysiotherapeut gaan uitvoeren in een maatschap.

In 2002 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant beoordeeld. In overeenstemming met het rapport van de arbeidskundige R.A. Hilgenberg van 4 september 2002 heeft het Uwv bij besluit van 10 september 2002 de WAZ-uitkering van appellant per 1 januari 1999 beëindigd, onder de overweging dat appellant per die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij besluit van 4 september 2003 is het tegen het besluit van 10 september 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat de WAZ-uitkering van appellant eerst per 26 april 2001 wordt ingetrokken. Tot deze datum wordt appellant ongewijzigd arbeidsongeschikt geacht naar een mate van 65-80%. Vanwege de inkomsten uit arbeid van appellant komt de uitkering over de periode 26 april 1998 tot 26 april 2001 met toepassing van artikel 58 van de WAZ niet tot uitbetaling, een en ander in overeenstemming met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige A. Diepenhorst van 21 augustus 2003. Ten slotte heeft het Uwv beslist dat de aan appellant over de periode 26 april 1998 tot 1 januari 1999 betaalde uitkering niet van hem zal worden teruggevorderd.

Het tegen het besluit van 4 september 2003 ingestelde beroep is bij uitspraak van 10 augustus 2004 door de rechtbank gegrond verklaard. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

Bij het ter uitvoering van die uitspraak van de rechtbank genomen besluit van 30 augustus 2005 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 september 2002 opnieuw ongegrond verklaard. Onder overneming van de in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman van 16 maart 2005 en 2 juni 2005 neergelegde conclusies heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de jaren 1999, 2000 en 2001 vastgesteld op 65-80%. Wegens verrekening van de inkomsten uit arbeid komt de WAZ-uitkering echter niet tot uitbetaling. Voorts is in het besluit van 30 augustus 2005 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 2002 op minder dan 25% gesteld. Daarbij is verwezen naar artikel 58, tweede lid, van de WAZ.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen, met aanvullende beslissingen over de vergoeding van griffierecht en proceskosten aan appellant.

Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv, in overeenstemming met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Westerman van 27 juli 2006, bij besluit van 4 augustus 2006 het bezwaar tegen het besluit van 10 september 2002 in zoverre gegrond verklaard dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 26 april 2001 wordt vastgesteld op minder dan 25%.

De Raad overweegt als volgt.

Aangezien het Uwv bij het nieuwe besluit van 4 augustus 2006 niet aan het door appellant ingestelde hoger beroep is tegemoet gekomen, moet dat hoger beroep geacht worden mede te zijn gericht tegen dat nieuwe besluit en zal de Raad een oordeel geven over dat besluit. Bij vernietiging van de aangevallen uitspraak heeft appellant geen in rechte te beschermen belang meer, nu de door hem in hoger beroep ingebrachte grieven ten volle aan de orde kunnen en zullen komen bij de beoordeling van dat besluit. Appellant zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

De Raad vat de door appellant naar voren gebrachte grieven als volgt samen:

1) bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ over de jaren 1999, 2000 en 2001 heeft het Uwv gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel;

2) ten nadele van appellant is de WAZ-uitkering van appellant per 26 april 2001 ingetrokken;

3) ten onrechte heeft het Uwv na ommekomst van het tijdvak van drie jaar, als bedoeld in artikel 58, tweede lid, van de WAZ geen volledig (arbeidskundig èn medisch) onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant gedaan;

4) het Uwv heeft de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden.

Met betrekking tot de eerste grief overweegt de Raad als volgt.

Het gaat hier om toepassing van de anticumulatiebepaling van artikel 58 van de WAZ. Volgens vaste rechtspraak van de Raad vergt het beginsel van de rechtszekerheid dat de toepassing van anticumulatiebepalingen niet met terugwerkende kracht op reeds betaalde uitkeringen kan plaatsvinden. Dit beginsel leidt echter uitzondering indien betrokkene redelijkerwijs geacht kan worden kennis te dragen van het feit dat de inkomsten van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald dan wel indien het toekennen en/of ongewijzigd voortzetten van de uitkering (mede) het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverschaffing door betrokkene, terwijl het uitvoeringsorgaan een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genoten indien het destijds de juiste feiten had gekend.

De Raad stelt vast dat reeds in het besluit van 16 juni 1999 tot toekenning van de WAZ-uitkering is bepaald dat eventuele wijzigingen in de inkomsten uit arbeid van appellant gevolgen zouden kunnen hebben voor de hoogte van de uitkering. Appellant was zich daarvan ook terdege bewust, gelet op de inhoud van het tegen dat besluit gemaakte bezwaar. Voorts is in de beslissing op bezwaar van 27 januari 2000 uitdrukkelijk de betreffende anticumulatiebepaling (artikel 58 van de WAZ) genoemd.

De Raad merkt verder op dat appellant het Uwv weliswaar steeds op de hoogte heeft gesteld van zijn werkzaamheden als fysiotherapeut, maar dat hij het Uwv niet tijdig en volledig op de hoogte heeft gebracht van de precieze omvang en betekenis van deze werkzaamheden. In dit verband wijst de Raad er op dat appellant de jaarstukken over 1999 en latere jaren niet eigener beweging heeft ingestuurd en dat hij het Uwv niet spontaan mededeling heeft gedaan van zijn toetreding - per 1 januari 2000 - tot een maatschap.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de Raad van oordeel dat het Uwv zonder in strijd te komen met het rechtszekerheidsbeginsel ten aanzien van appellant met terugwerkende kracht toepassing mocht geven aan artikel 58 van de WAZ, zodat de eerste grief van appellant faalt.

De tweede grief van appellant treft evenmin doel.

Uit de artikelen 7:11 en 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt, dat het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit er niet toe mag leiden dat de indiener via de heroverweging door het bestuur in een slechtere positie geraakt dan zonder de bezwaarprocedure mogelijk zou zijn (verbod van ‘reformatio in peius’). De Raad overweegt dat niet uit het oog mag worden verloren dat het besluit van 4 augustus 2006 het resultaat is van de heroverweging van het (primaire) besluit van 10 september 2002, waarbij de WAZ-uitkering van appellant per 1 januari 1999 is beëindigd. De Raad vermag niet in te zien hoe appellant is benadeeld door de - in het besluit op bezwaar van 4 augustus 2006 neergelegde - beëindiging van de uitkering per 26 april 2001.

Met betrekking tot de derde grief overweegt de Raad het volgende.

Het stelsel van artikel 58, tweede lid, van de WAZ, dat inhoudt dat toepassing van de korting op de voet van het eerste lid ten hoogste kan plaatsvinden over een aaneengesloten tijdvak van drie jaar en dat na afloop van dit tijdvak de in het eerste lid bedoelde arbeid, waaruit inkomsten worden genoten, aangemerkt wordt als arbeid bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de WAZ, brengt, zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2005, LJN: AU0472), niet mee dat in alle gevallen na ommekomst van het tijdvak van drie jaar en bij toepassing van artikel 58, tweede lid, van de WAZ, een medisch onderzoek is aangewezen. De Raad overweegt daartoe dat bij de gebruikelijke schatting op basis van bijvoorbeeld artikel 2 van de WAZ als bedoeld in artikel 7 dan wel de artikelen 12 tot en met 16 van de WAZ, waarbij na de van toepassing zijnde wettelijke wachttijd gedurende welke een verzekerde arbeidsongeschikt is geweest voor zijn arbeid, wordt bezien of de verzekerde die arbeid dan wel hem geduide functies kan verrichten. Voor een dergelijk onderzoek is een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij de belastbaarheid van de verzekerde in kaart wordt gebracht, in het algemeen onontbeerlijk. Bij een specifieke schatting op grond van artikel 58, tweede lid, van de WAZ, is evenwel door wetsduiding de - door de verzekerde al dan niet in aangepaste vorm verrichte - arbeid waarover in de aaneengesloten periode van drie jaar inkomsten worden genoten, de arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de WAZ. In het geval van zo’n specifieke schatting acht de Raad, anders dan in het algemeen bij een gebruikelijke schatting als hiervoor bedoeld, een verzekeringsgeneeskundig onderzoek alleen aangewezen, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat er in aansluiting op de aaneengesloten periode van drie jaar, waarin de korting op de voet van artikel 58, eerste lid, van de WAZ is toegepast, sprake is van een wezenlijke verslechtering van de medische situatie van betrokkene. Dit is gesteld noch gebleken.

Mitsdien slaagt ook deze grief van appellant niet.

Resteert de grief dat de redelijke termijn is geschonden.

De grief van appellant over de duur van de procedure richt zich uitsluitend tegen het aandeel van het bestuursorgaan hierin. De Raad stelt vast dat in dit geval de redelijke termijn is gaan lopen op 9 oktober 2002, de datum waarop appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 10 september 2002. De Raad doet in hoger beroep uitspraak op 4 april 2008, zodat de totale procedure ruim 6 ½ jaar heeft geduurd. De Raad is van oordeel dat daardoor de in artikel 6 EVRM bedoelde termijn is overschreden, waarbij de Raad aantekent dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant een rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure. In het licht van het aandeel van het Uwv in de duur van de totale procedure - partijen zijn het er over eens dat dit aandeel dient te worden gesteld op ruim 23 maanden - concludeert de Raad dat appellant in de bezwaarfase door het Uwv onredelijk lang is afgehouden van de toegang tot de rechter. Het besluit van 4 augustus 2006 dient op die grond te worden vernietigd. De Raad kent aan appellant ten laste van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een vergoeding toe voor immateriële schade en stelt deze vast op een bedrag van € 1.000,-.

In het licht van het hiervoor overwogene ten aanzien van de inhoud van het besluit van 4 augustus 2006 zal de Raad, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van

4 augustus 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 4 augustus 2006 in stand blijven;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade aan appellant ad € 1.000,-;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep van

€ 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

RJB