Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9662

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
06/7379 WWB, 06/7380 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blokkering van uitbetaling van de bijstand. Gegrond vermoeden, dat geen recht op bijstand? Intrekking bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding? Onvoldoende bewijs dat appellant hoofdverblijf had bij appellante. Ondeugdelijke motivering.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 3, geldigheid: 2008-04-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/7379 WWB

06/7380 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], (hierna: appellante) en [Appellant], (hierna: appellant), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 november 2006, 05/4139, 05/4141, 06/1037 en 06/1039 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W. Nass, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Nass. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.G.W. van Heugten, werkzaam bij de gemeente Valkenswaard.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Aan appellante is met ingang van 9 april 2002 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Aan appellant is laatstelijk met ingang van 3 februari 2004 bijstand ingevolge de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

Op 28 juni 2005 hebben twee bijstandsconsulenten van de gemeente Valkenswaard, een huisbezoek bij appellant afgelegd. Op 29 juni 2005 hebben dezelfde bijstandsconsulenten een huisbezoek bij appellante afgelegd. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 10 augustus 2005. Naar aanleiding van de bevindingen tijdens de huisbezoeken heeft het College de bijstand van appellanten bij besluiten van 11 juli 2005 met ingang van 1 juni 2005 geblokkeerd.

Bij besluiten van 23 augustus 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2005 ingetrokken en de bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2005. De besluiten berusten op de grond dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren, die zij niet hebben gemeld.

Bij besluiten van 18 oktober 2005 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 11 juli 2005 ongegrond verklaard.

Bij besluiten van 10 januari 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 23 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 18 oktober 2005 en 10 januari 2006 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Blokkering

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het antwoord op de vraag of het blokkeren van de uitbetaling van de bijstand de rechterlijke toetsing kan doorstaan, in het algemeen afhangt van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans het gegronde vermoeden kan hebben, dat het recht op bijstand niet meer bestaat, dan wel dat slechts recht op een lagere uitkering bestaat of dat de verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB niet is nagekomen.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat ten tijde van de primaire besluiten van 11 juli 2005 bij het College op basis van de bevindingen naar aanleiding van de huisbezoeken op 28 en 29 juni 2005 er een gegrond vermoeden kon bestaan dat appellanten niet hebben voldaan aan de verplichting juiste en volledige inlichtingen te verstrekken over hun woon- en leefsituatie. Gelet hierop is het College in afwachting van eventueel nader onderzoek en nadere besluitvorming omtrent het recht op bijstand van appellanten op goede gronden tot blokkering van de bijstand per 1 juni 2005 overgegaan.

Het hoger beroep van appellanten voor zover gericht tegen de blokkering van de bijstand treft dan ook geen doel.

Intrekking

De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat bij appellant beoordeeld dient te worden de periode van 1 juni 2005 tot en met 23 augustus 2005 en bij appellante de periode van 1 augustus 2005 tot en met 23 augustus 2005.

Appellanten waren tot 13 oktober 2003 met elkaar gehuwd. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding is, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB, enkel van belang of het College op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat er bij appellanten sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. De bewijslast hiertoe rust op het College aangezien de besluiten tot intrekking van bijstand belastende besluiten betreffen. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat uit onderzoek is gebleken dat appellant woonachtig was bij appellante op het adres [adres] te [woonplaats].

De Raad stelt om te beginnen vast dat het College, nadat tot blokkering van de bijstand van appellanten is overgegaan, geen nader onderzoek heeft verricht. Uitgangspunt voor de besluiten tot intrekking vormen derhalve de onderzoeksresultaten zoals deze zijn neergelegd in het rapport van 10 augustus 2005. De Raad is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat uit deze onderzoeksresultaten niet blijkt dat appellant woonachtig was op het adres van appellante. Tijdens het huisbezoek op 29 juni 2005 bij appellante is weliswaar herenkleding aangetroffen, maar is niet komen vast te staan dat deze spullen van appellant waren. Ook de omstandigheid dat appellante heeft verklaard wel eens de was voor appellant te doen en dat appellanten hebben verklaard dat appellant wel eens op het adres van appellante overnachtte, is onvoldoende voor de conclusie dat appellant zijn hoofdverblijf had bij appellante. Met betrekking tot de post van appellant die bij appellante is aangetroffen, overweegt de Raad dat niet gebleken is dat het hier om post ging die betrekking had op de hier in geding zijnde periode.

Het voorgaande betekent dat de besluiten van 10 januari 2006 tot intrekking van bijstand van appellanten een feitelijke grondslag ontberen en op grond van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vanwege een ondeugdelijke motivering voor vernietiging in aanmerking komen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de beroepen tegen de besluiten van 10 januari 2006 gegrond verklaren en deze besluiten vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding de (primaire) besluiten van 23 augustus 2005 te herroepen, omdat deze besluiten op dezelfde onhoudbare gronden berusten en niet aannemelijk is dat deze gebreken nog kunnen worden hersteld.

Proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 966,-- in beroep (tweemaal 1 punt voor de beroepschriften en 1 punt voor de zitting), en op € 644,-- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor de zitting) voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de beroepen tegen de besluiten van 10 januari 2006 ongegrond zijn verklaard;

Verklaart de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 10 januari 2006 gegrond;

Vernietigt de besluiten van 10 januari 2006;

Herroept de besluiten van 23 augustus 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.610,--, te betalen door de gemeente Valkenswaard aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Valkenswaard aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 179,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.J. Borman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) Th. C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

AR