Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9661

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
06-3069 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is aangevallen uitspraak op een juiste wijze tot stand is gekomen? Terecht onderzoek ter zitting achterwege gelaten? Weigering ziekengeld terecht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3069 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 april 2006, 05/51 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van der Staaij, advocaat te Heemskerk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2008. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die vanaf 22 december 2002 is berekend naar - uiteindelijk - een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellant heeft zich vanuit de situatie waarin hij tevens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving per 13 april 2004 ziek gemeld in verband met darmklachten. Na onderzoek op het spreekuur van een verzekeringsarts op 23 april 2004 heeft het Uwv bij besluit van

23 april 2004 bepaald dat appellant op en na 13 april 2004 niet wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van de functies die laatstelijk voor hem in het kader van de WAO zijn geselecteerd. Uit oogpunt van zorgvuldigheid is aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) verstrekt over de periode van de ziekmelding tot en met 23 april 2004. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 april 2004. Na onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 23 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 april 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding ziet om het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige, de maag-, darm- en leverarts dr. E.A. Rauws, die appellant op 27 september 2005 heeft onderzocht en over zijn bevindingen op 6 december 2005 aan de rechtbank verslag heeft uitgebracht, niet te volgen voor wat betreft de beperkingen van appellant ten tijde hier in geding. De deskundige is tot de conclusie gekomen dat het voor appellant in april 2004 zeker mogelijk was de functie van typist/datatypist te vervullen. De rechtbank heeft de deskundige niet gevolgd in zijn conclusie dat het gebruik van het medicijn Tramadol een gevaar zou opleveren indien appellant functies uit zou oefenen waarbij hij machines zou moeten bedienen.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het geheel van medische beperkingen die hij op en na 13 april 2004 ondervond in verband met darm- en gewrichtsklachten als gevolg van een actieve darmontsteking en hevige nek- en rugklachten onmiskenbaar tot gevolg had dat hij, naar objectieve maatstaven gemeten, de in aanmerking komende arbeid niet kon of mocht vervullen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een beroep gedaan op de brieven van zijn behandelend maag-, darm- en leverarts prof. dr. C.J.J. Mulder van 8 mei 2006 en van zijn huisarts J.G.M. Pouw van

23 mei 2006.

De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding om zich ambtshalve uit te laten over de vraag of de aangevallen uitspraak op een juiste wijze tot stand is gekomen en overweegt in dit verband als volgt.

Nadat de rechtbank het vooronderzoek had voltooid, heeft zij partijen verzocht om toestemming om een onderzoek ter zitting achterwege te laten. Bij brief van 9 februari 2006 heeft appellant die toestemming verleend. Bij brief van 14 februari 2006, waarbij ook het Uwv die toestemming heeft verleend, heeft het Uwv de rechtbank rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige doen toekomen. De rechtbank heeft die rapportages, in strijd met artikel 8:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet meer aan appellant voorgelegd.

De Raad is van oordeel dat vorenomschreven behandeling van het beroep in strijd is met artikel 8:57 van de Awb. De Raad overweegt, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie ter zake, dat in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om zonder meer op basis van de toestemming die eerder is gegeven de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde gedingstukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van de Awb, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen.

Bij zijn oordeelsvorming heeft de Raad de rapportage van bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg van 20 februari 2008, die het Uwv bij fax van 21 februari 2008 heeft ingezonden, buiten beschouwing gelaten aangezien die rapportage, gelet op het bepaalde van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb, niet tijdig is ingediend.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen, tenzij sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan het aangewezen is van dit uitgangspunt af te wijken.

De Raad heeft dr. Rauws om een reactie verzocht op de door appellant in hoger beroep ingebrachte brieven van prof. dr. Mulder en van appellants huisarts Pouw. De deskundige heeft blijkens zijn rapport van 8 januari 2008 alle beschikbare medische informatie, waaronder de gegevens opgenomen in de brieven van prof. dr. Mulder van

9 november 2004, 27 oktober 2005 en 8 mei 2006 alsmede de brief van huisarts Pouw van 23 juni 2006 in ogenschouw genomen en is daarbij tot de conclusie gekomen dat het bestaan van veel darmklachten door een actieve, ernstige darmontsteking in de periode hier van belang niet is aangetoond, noch aannemelijk is. In dat verband heeft dr. Rauws van belang geacht dat appellant zich toen niet actief onder poliklinische behandeling heeft gesteld van zijn maag-, darm- en leverarts nadat telefonisch consulten kennelijk geen verbetering hadden gebracht, dat in april 2004 en de volgende maanden er geen objectieve medische gegevens zijn vastgelegd die aantonen dat sprake was van een actieve/ernstige darmontsteking alsmede dat de huisarts en de specialist toen geen noodzaak hebben gezien om nader darmonderzoek te starten of de medicatie te wijzigen of te intensiveren. De Raad heeft geen aanleiding gevonden het oordeel van dr. Rauws dat in april 2004 geen sprake was van een actieve colitis ulcerosa niet te volgen. In dat verband merkt de Raad op dat prof. dr. Mulder in zijn brief van 9 november 2004 heeft gemeld dat bij appellant, die voor het laatst is gesproken in juni 2004, sprake is van een rustige colitis ulcerosa en dat ook de reumatoloog dr. A. Linssen in haar brief van

18 juni 2004 daarvan melding heeft gemaakt. De omstandigheid dat de deskundige in zijn rapport van 6 december 2005 abusievelijk heeft aangenomen dat prof. dr. Mulder van mening was dat het met appellant in april 2004 prima ging, waar onmiskenbaar april 2005 is bedoeld, kan aan vorenstaande niet afdoen. Uit zijn rapport van 8 januari 2008 leidt de Raad af dat de deskundige van mening is dat de darmklachten van appellant voor hem geen beletsel waren om voor hem geselecteerde functies te vervullen. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat de rug- en gewrichtsklachten, die blijkens het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Ruitenberg van 7 september 2004 in ogenschouw zijn genomen, daarvoor wel een beletsel vormden.

Op grond van het vorenstaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op en na 13 april 2004 niet wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van de in aanmerking te nemen functies. De Raad is dan ook van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand. Het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten die dr. Rauws bij schrijven van 13 februari 2007 hem in rekening heeft gebracht ten bedrage van € 666,40 komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds omdat appellant de betreffende rapportage van dr. Rauws niet in het geding heeft gebracht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.F. Bandringa en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E. de Bree.

RJB