Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
07-1218 IOAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag IOAW buiten behandeling gesteld op de grond dat betrokkene niet de gevraagde gegevens heeft verstrekt binnen de gestelde termijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. Terecht afgezien van horen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 146

Uitspraak

07/1218 IOAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2007, 05/5940 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2008. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 25 juli 2005 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) aangevraagd. In het kader van de afhandeling van deze aanvraag heeft het College appellant bij brief van 15 augustus 2005 verzocht vóór 29 augustus 2005 diverse aanvullende gegevens te verstrekken, waaronder alle opeenvolgende afschriften van bank/postbankrekeningen van de laatste drie maanden. In deze brief heeft het College appellant erop gewezen dat de aanvraag niet zal worden behandeld indien de gegevens niet voor de gegeven termijn door het College worden ontvangen. Bij brief van 28 augustus 2005, door het College op 29 augustus 2005 ontvangen, heeft appellant aan het College, zakelijk weergegeven, laten weten dat hij, zoals hij al bij brief van 11 augustus 2005 had aangeboden, de gevraagde stukken wil laten zien, maar ze niet uit handen wil geven.

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft het College onder toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet de gevraagde gegevens heeft verstrekt om de aanvraag te kunnen beoordelen. Bij besluit van 22 december 2005 heeft het College dit besluit gehandhaafd en het bezwaar hiertegen kennelijk ongegrond geacht.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover in dit geding van belang, het beroep tegen het besluit van 22 december 2005 ongegrond verklaard.

Daartoe is overwogen dat de bankafschriften die het College bij brief van 15 augustus 2005 bij appellant heeft opgevraagd, van belang zijn voor het bepalen van het recht op uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de in artikel 4:5 van de Awb gestelde voorwaarden, nu vaststaat dat de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn overgelegd. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 maart 1999, JABW 1999, 64, de bereidheid van appellant om de bankafschriften ter inzage te geven onvoldoende geacht ter afhandeling van zijn aanvraag.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

In artikel 16 van de IOAW is, voor zover van belang, bepaald dat het College binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag vaststelt of recht op uitkering bestaat. Ingevolge het tweede lid besluit het College niet tot toekenning van de uitkering dan nadat de juistheid en volledigheid van de door de belanghebbende verstrekte gegevens is onderzocht. Volgens het derde lid besluit het College op de aanvraag op voet van de dan bekende gegevens als buiten toedoen van de belanghebbende het onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de door hem verstrekte gegevens niet binnen de beslistermijn kan worden voltooid.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de aanvraag van appellant artikel 16 van de IOAW van toepassing is, en niet artikel 17 van de IOAW dat immers ziet op de situatie waarin de belanghebbende reeds recht heeft op een IOAW-uitkering. De Raad voegt hieraan toe dat het derde lid van artikel 16 van de IOAW betrekking heeft op de specifieke situatie waarin buiten toedoen van de belanghebbende het onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de door hem verstrekte gegevens niet binnen de beslistermijn kan worden voltooid. Deze bepaling staat naar het oordeel van de Raad niet in de weg aan de mogelijkheid om artikel 4:5 van de Awb toe te passen in het geval dat een aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen en hieraan (verwijtbaar) niet heeft voldaan.

Tussen partijen is niet in geschil dat de door het College bij appellant opgevraagde bankafschriften, ter controle van eventuele inkomsten, noodzakelijk zijn om het recht op een IOAW-uitkering te kunnen beoordelen. Vast staat dat deze bankafschriften, die bij appellant ook voorhanden waren, niet binnen de daarvoor gestelde termijn door het College zijn ontvangen.

Appellant heeft ter zitting van de Raad betoogd dat hij altijd de bedoeling heeft gehad de originele stukken ter inzage te geven en kopieën te verstrekken van afschriften met inkomstengegevens indien dit laatste zich zou voordoen. De Raad kan deze bedoeling echter niet lezen in de brieven van appellant van 11 en 28 augustus 2005. Aangezien appellant blijkens die brieven alleen heeft toegezegd inzage te zullen verlenen in de gevraagde stukken, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat hiermee geen recht wordt gedaan aan het belang dat aantoonbaar, middels in een dossier voorhanden te verifiëren kopieën van bescheiden, wordt vastgelegd dat er een juiste op de wet gebaseerde beslissing terzake van de in geding zijnde IOAW-aanvraag wordt genomen.

Het College heeft zich gelet op het voorgaande terecht bevoegd geacht om de aanvraag om een IOAW-uitkering met toepassing van artikel 4:5, eerste lid van de Awb buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Ten aanzien van hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot het

niet-horen in de bezwaarprocedure is de Raad evenals de rechtbank van oordeel

het College het bezwaar terecht kennelijk ongegrond heeft geacht. Onder de gegeven omstandigheden, waarbij vaststond dat - en om welke reden - appellant de gevraagde, in zijn bezit zijnde gegevens niet had verstrekt binnen de gestelde termijn, moet worden geoordeeld dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ongegrondheid van het bezwaar. Het College mocht dan ook van het horen van appellant in bezwaar afzien.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, dient te worden bevestigd en dat er geen ruimte is voor het toekennen van de verzochte schadevergoeding.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om een veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

RB