Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
07-667 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging nabestaandenpensioen i.v.m. gezamenlijke huishouding. Voldoende voorlichting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 37

Uitspraak

07/667 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 december 2006, 06/624 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.R.P. Ossentjuk, advocaat te Beilen, hoger beroep ingesteld. Mr. V.L. van Wieringen, advocaat te Groningen, heeft zich als opvolgend gemachtigde van mr. Ossentjuk, namens appellante gesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2008. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P.van den Berg, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

Bij faxbericht van 25 maart 2008, bij de Raad binnengekomen even voor het aanvangstijdstip van de zitting, is door de gemachtigde van appellante aangegeven dat hij wegens ziekte verhinderd is de zitting bij te wonen en heeft hij verzocht het onderzoek ter zitting naar een later moment te verplaatsen. De Raad heeft dit verzoek afgewezen.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving van de Svb een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), welke uitkering per

1 juli 1996 is omgezet in een pensioen ingevolge de Algemene Nabestaandenwet (Anw).

Naar aanleiding van een anoniem ingekomen tip dat appellante samenwoont met [P.] (hierna te noemen: [P.]) heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het aan appellante verstrekte nabestaandenpensioen. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is de gemeentelijke basisadministratie geraadpleegd, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, hebben observaties plaats gevonden, is op 25 augustus 2005 een huisbezoek aan de [adres] te [woonplaats] bij appellante afgelegd en zijn appellante en [P.] op 12 oktober 2005 door sociaal rechercheurs gehoord.

De Svb is op grond van de onderzoeksresultaten tot de conclusie gekomen dat appellante en [P.] een gezamenlijke huishouding voeren waarbij afwisselend gebruik wordt gemaakt van de woning van appellante aan de [adres] te [woonplaats] en van de woning van [P.] aan de [adres 2] te [woonplaats].

Naar aanleiding hiervan heeft de Svb bij besluit van 21 november 2005 het nabestaandenpensioen van appellante met ingang van 1 december 2004 beëindigd.

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 21 november 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 maart 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante voert onder meer aan dat haar tijdens het huisbezoek geen cautie is verleend en is voorts van oordeel dat er geen sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de Anw. Zo daar wel sprake van mocht zijn, dan is appellante van oordeel dat zij daarover onvolledig dan wel onjuist in de door de Svb verstrekte berichtgeving is voorgelicht.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw - voor zover van belang - eindigt het recht op nabestaandenuitkering indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren, anders dan ten behoeve van een hulpbehoevende. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven en de aard van de onderlinge relatie niet van belang.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Zoals de Raad bij herhaling heeft uitgesproken behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonadressen niet in de weg te staan aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

De Raad is van oordeel dat het verslag van het huisbezoek van 29 augustus 2005 waarin verklaringen van appellante zijn opgenomen een toereikende grondslag biedt voor het standpunt dat zij en [P.] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Bevestiging van vorenstaande verklaringen van appellante vindt door haar plaats tijdens haar verhoor op 12 oktober 2005. Daarbij is onder meer door appellante (eiseres in beroep) verklaard:

“[H.] en ik zijn vanaf het moment dat de zoon van [H.] de deur uitging, eind vorig jaar, regelmatig bij elkaar. De ene week misschien 7 dagen de andere keer 4 dagen in de week.

Wij hebben sleutels van elkaars woning. Wij gebruiken beide woningen. De ene week gebruiken we de woning van [H.] 5 dagen, de andere week zijn we weer wat meer in mijn woning. Dat is heel wisselend. Ik heb maar weinig kleding op het adres van [H.], en [H.] heeft ook niet veel kleding op mijn adres.

(…..)

Toen de zoon van [H.] nog thuis woonde, zagen [H.] en ik elkaar alleen in de weekenden. Toen waren we dus nog niet zoveel bij elkaar.

(….)

Dat wij vanaf november 2004, toen [H.]s zoon uitwonend werd, praktisch altijd

- dag en nacht - bij elkaar zijn is dan wel zo, maar ik vind samenwonen toch wat anders.”.

Deze lezing wordt eveneens op 12 oktober 2005, tijdens zijn verhoor, in gelijke zin door [P.] bevestigd.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan om te kunnen spreken van een gezamenlijke huishouding is dat betrokkenen blijk geven van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

De Raad is van oordeel dat ook aan het tweede criterium is voldaan. Door appellante is verklaard dat zij en [P.] gezamenlijk de maaltijden gebruiken. Gezamenlijk worden de boodschappen gedaan waarbij ieder zijn eigen boodschappen betaalt. Over en weer wordt meegegaan op familiebezoek en dat geldt ook voor de kennissen die samen worden bezocht of worden ontvangen. Ook wordt er gezamenlijk op vakantie gegaan en tot slot heeft appellante [P.] geholpen bij het opknappen van diens woning.

De Raad gaat voorbij aan de grief van appellante dat haar bij het huisbezoek op 29 augustus 2005 geen cautie is verleend. De Raad wijst er allereerst op dat appelante op grond van artikel 35 van de Anw gehouden is de Svb ook zonder cautie ter zake van haar woon- en leefsituatie de vereiste inlichtingen te verstrekken. De door appellante op 29 augustus 2005 afgelegde verklaringen zijn in het latere verhoor van 12 oktober 2005 in gelijke zin door haar bevestigd, waarbij haar wel cautie is verleend. Bovendien is appellante geen boete opgelegd en is het ter zake evenmin tot een strafrechtelijke vervolging gekomen.

De grief dat appellante onvolledig is ingelicht door de Svb wat het voeren van een gezamenlijke huishouding betreft, passeert de Raad eveneens. Gebleken is dat appellante reeds op 18 december 1996 een brochure is toezonden met informatie over de overgangsregeling van de AWW naar de Anw, waarin samenwonen aan de orde wordt gesteld. De Svb verstrekt voorts in het periodiek “uw AOW/Anw” regelmatig informatie over leefvormen dan wel over situaties met betrekking tot het voeren van een gezamenlijke huishouding. In geval daaromtrent vragen dan wel twijfel bestaat, dan wordt geadviseerd om contact op te nemen met de Sociale verzekeringsbank. Vaststaat dat appellante vragen had rond haar woon- en leefsituatie met [P.] en zich afvroeg of die van invloed konden zijn op haar nabestaandenuitkering. Nu appellante zich dienaangaande heeft laten voorlichten door haar notaris en daarbij is afgegaan op diens ter zake verstrekte informatie, komen de gevolgen daarvan geheel voor haar risico.

De Svb heeft, gelet op de beschikbare gegevens, naar het oordeel van de Raad terecht aangenomen dat appellante en [P.] sedert 1 december 2004 een gezamenlijke huishouding voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.

Gelet hierop eindigde ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 16, tweede lid van de Anw het recht van appellant op nabestaandenuitkering met ingang van 1 december 2004, zijnde de eerste dag van de maand volgend op die waarin zij een gezamenlijke huishouding in evenvermelde zin is gaan voeren.

De Svb was derhalve op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw gehouden het recht op nabestaandenuitkering met ingang van 1 december 2004 in te trekken. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw, op grond waarvan de Svb geheel of gedeeltelijk van intrekking kon afzien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ