Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
07-1234 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering gedurende één maand met 35% , omdat betrokkene zonder opgave van een geldige reden onvoldoende heeft meegewerkt aan een afgesproken traject dat noodzakelijk is voor zijn reïntegratie. Verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1234 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 januari 2007, 06/1676 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 maart 2008. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid, en het College als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Eiser is afkomstig uit Soedan en sinds 1995 in Nederland. Hij ontvangt sedert 11 februari 1999 een bijstandsuitkering; sinds 1 januari 2004 ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) en in dat kader is eiser bij besluit van 26 september 2005, verzonden 27 oktober 2005, gewezen op de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wwb.

Eiser is op 27 juli 2005 gestart in het trainingscentrum van Joblink. Na de oriëntatiefase is eiser gestart met een baanvaardigheidstraining. Naar aanleiding van een spreekuurbezoek op 17 februari 2006 is in een rapportage van

27 februari 2006 door een verzekeringsarts eisers actuele belastbaarheid beoordeeld. Daarbij is vastgesteld dat eiser in staat is tot het verrichten van duurzame loonvormende arbeid, waarbij hij is aangewezen op weinig stresserende en kniesparende arbeid. Vervolgens is door een arbeidskundige geconcludeerd dat er bij eiser sprake is van structurele functionele belemmeringen ten aanzien van arbeid op grond van ziekte en/of gebrek.

Eiser heeft zich op 16 februari 2006 ziek gemeld met darm- en buikklachten en van de zijde van verweerder is verzocht om te beoordelen of eisers verzuim verwijtbaar is. Gedateerd 13 april 2006 heeft de bedrijfsarts aangegeven dat eiser met ingang van “heden” arbeidsgeschikt is voor werk bij Joblink.

Bij besluit van 27 april 2006, verzonden 11 mei 2006, heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 juni 2006 gedurende één maand met 35% (van de norm plus gemeente toeslag) wordt verlaagd, omdat hij zonder opgave van een geldige reden onvoldoende heeft meegewerkt aan een afgesproken traject dat noodzakelijk is voor zijn reïntegratie.”.

Bij besluit van 11 augustus 2006 heeft het College het tegen het besluit van 27 april 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de in dit geding van belang zijnde bepalingen van de Wet werk en bijstand (WWB) en van de Afstemmings-verordening WWB van de gemeente Roermond (hierna: verordening) verwijst naar de aangevallen uitspraak.

Vaststaat dat appellant, na een verzuimperiode wegens ziekte, door de bedrijfsarts van Joblink met ingang van 13 april 2006 arbeidsgeschikt is geacht en dat appellant - niettemin - vervolgens heeft verzuimd de baanvaardigheidstraining bij Joblink te hervatten. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat het College terecht heeft geconcludeerd dat appellant geen geldige reden had voor dit verzuim.

Anders dan appellant, ziet de Raad geen grond voor het standpunt van appellant dat het besluit van 11 augustus 2006 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Daarbij neemt de Raad in de eerste plaats in aanmerking dat, nadat was gebleken dat appellant veelvuldig verzuimde bij zijn baanvaardigheidstraining bij Joblink, een medische beoordeling van appellant heeft plaatsgevonden, waarvan het resultaat is neergelegd in de eerdergenoemde verzekeringsgeneeskundige rapportage van 27 februari 2006. Verder blijkt uit de brief van 13 april 2006 van de bedrijfsarts aan de gemeente Roermond dat appellant op het spreekuur is gezien en dat de bedrijfsarts op de hoogte was van de fysieke belasting van het werk dat appellant bij Joblink verrichtte. In dit verband is ten slotte van belang dat het College zich ervan heeft vergewist dat de betrokken bedrijfsarts bij de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid van appellant op 13 april 2006 ook de psychische toestand van appellant heeft betrokken. Appellant heeft tegenover de voorhanden zijnde medische gegevens uitsluitend zijn eigen oordeel, er op neerkomend dat hij door zijn fysieke en psychische beperkingen niet in staat was tot werkhervatting, gesteld. Een objectieve (medische) onderbouwing van dat standpunt ontbreekt.

Het College mocht dan ook op het oordeel van de bedrijfsarts over de arbeidsgeschiktheid van appellant op 13 april 2006 afgaan.

Naar het oordeel van de Raad kan in de situatie van appellant niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Dat brengt mee dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant te verlagen. Het College heeft de aan appellant verweten gedraging terecht gekwalificeerd als een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder 2, van de verordening. Bij een dergelijke gedraging wordt ingevolge artikel 9 van de verordening een verlaging van de bijstand met 35% gedurende minimaal 1 maand opgelegd.

De besluitvorming van het College is daarmee in overeenstemming. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat deze verlaging niet voldoet aan het in artikel 2, tweede lid, van de verordening neergelegde afstemmingsvereiste. Het enkele feit dat appellant, zoals hij nog heeft aangevoerd, van de bijstandsuitkering een gezin met twee jonge kinderen moet onderhouden, is daarvoor onvoldoende.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Pijper.

RB