Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
07-1583 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding? Aan het niet meewerken aan een huisbezoek worden eerst gevolgen verbonden, indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 17, geldigheid: 2008-04-15
Participatiewet 53a, geldigheid: 2008-04-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1583 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 februari 2007, 06/3569 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: het College)

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2008, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde

mr. M.J. van de Laar, advocaat te Eindhoven. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Nadat appellante in november 2005 was verlaten door haar echtgenoot [naam echtgenoot] (hierna te noemen: [naam echtgenoot]) is haar met ingang van 14 december 2005 bijstand toegekend in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een éénoudergezin.

Naar aanleiding van gerezen twijfel omtrent de woon- en leefsituatie van appellante, zij zou mogelijk weer samenwonen met [naam echtgenoot], hebben observaties plaatsgevonden waarvan de resultaten aanleiding hebben gegeven voor het besluit tot het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek. Appellante heeft geweigerd mee te werken aan het huisbezoek op grond waarvan het College heeft besloten de bijstandsuitkering van appellante bij besluit van 24 mei 2006 met ingang van 23 mei 2006 te beëindigen (lees: in te trekken).

Bij besluit van 11 juli 2006 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 juli 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 17, eerste lid van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het College van burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het College desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs voor de uitvoering van deze wet nodig is.

Artikel 53a, tweede volzin, van de WWB bepaalt dat het College van burgemeester en wethouders bevoegd is om een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

Indien de belanghebbende de inlichtingenplicht of de medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of belanghebbende verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of worden ingetrokken.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2410) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkenen omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

Uit de gedingstukken blijkt dat aan [naam echtgenoot] gerichte post op het adres [adres], op welk adres hij bij het College bekend was, weer naar het College is teruggezonden. Volgens de eigenaar van de woning [adres] woonde [naam echtgenoot] reeds sedert maart 2006 niet meer daar. Vervolgens hebben in mei 2006 bij de woning van appellante observaties plaatsgevonden en is komen vast te staan dat de auto van [naam echtgenoot] met regelmaat bij de woning van appellante is aangetroffen. De Raad merkt voorts nog op dat bij de poging te komen tot het afleggen van het huisbezoek, 7.45 uur in de ochtend, is gebleken dat [naam echtgenoot] in de woning van appellante aanwezig was. In het verleden is het bovendien vaker voorgekomen dat appellante en [naam echtgenoot] uit elkaar zijn gegaan waarna naderhand bleek dat ze weer herenigd waren.

Het vorenstaande vormt naar het oordeel van de Raad een redelijke grond om van appellante te verlangen mee te werken aan een huisbezoek teneinde duidelijkheid te verkrijgen over haar woon- en leefsituatie.

Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat de door appellante genoemde reden - het tijdstip van het bezoek en haar psychische gesteldheid op dat moment met de daarbij behorende medicatie - om aan een onmiddellijke uitvoering hiervan niet mee te werken niet van zodanig zwaarwegend belang is dat om die reden het belang van het College om op dat moment de woon- en leefsituatie van appellante te verifiëren behoefde te wijken. Aan appellante is voorts, blijkens het rapport van 24 mei 2006, medegedeeld welke gevolgen een weigering om het huisbezoek toe te staan zouden hebben voor haar recht op bijstand. Weliswaar wordt dit laatste door appellante betwist, maar de Raad heeft geen aanleiding om aan hetgeen dienaangaande in de rapportage staat vermeld te twijfelen.

De Raad kan tenslotte appellante niet volgen in haar stelling dat het enkele feit dat bij haar om 7.40/7.45 uur door de sociale recherche is aangebeld reeds maakt dat sprake is van schending van het in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Het College heeft derhalve terecht appellante tegengeworpen dat zij niet heeft voldaan aan de op haar rustende medewerkingsverplichting door niet onmiddellijk het onderzoek in haar woning mogelijk te maken dat in haar geval noodzakelijk was om een zo betrouwbaar mogelijk beeld te verkrijgen van haar woon- en leefsituatie, met als gevolg dat het recht op bijstand van appellante ten tijde hier van belang niet kan worden vastgesteld. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, de aan appellante verleende bijstand met ingang van 23 mei 2006 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid tot deze intrekking heeft kunnen besluiten.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) Th.C. van Sloten

(get.) P.C. de Wit

IJ