Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
06-6802 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Handel in auto's niet gemeld. Bestuursrechter niet gebonden aan oordeel strafrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6802 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 november 2006, 06/3231 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 4 maart 2008, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een bij het College gerezen vermoeden dat appellant in auto’s handelt heeft de sociale recherche van de gemeente Nijmegen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 3 januari 2006.

Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek heeft het College bij besluit van 28 maart 2006 de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 november 2005 tot een bedrag van € 74.204,34 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 17 mei 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij overwogen dat appellant in de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 november 2005 de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 mei 2006 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van het College dat appellant zich gedurende de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 november 2005 heeft beziggehouden met handel in auto’s. Evenals de rechtbank kent de Raad daarbij belangrijke betekenis toe aan het grote aantal kentekens (44) dat in de in geding zijnde periode op naam van appellant heeft gestaan, doorgaans gedurende een korte periode. Daarnaast komt uit de verklaring van appellant zelf en uit verklaringen van bij de handel betrokken en/of in deze branche werkzame personen, die door de sociale recherche als getuigen zijn gehoord, naar voren dat appellant tevens actief is geweest bij bemiddeling bij aan- en verkoop van auto’s door anderen en bij APK-keuringen. Voorts hebben drie - als getuigen gehoorde - garagehouders verklaard dat appellant auto’s van hen kocht of aan hen verkocht. Mede in aanmerking genomen de uit het dossier blijkende omvang van deze activiteiten en het doorlopende karakter daarvan, kan de Raad appellant niet volgen in zijn stelling dat die activiteiten slechts een hobbymatig karakter hadden. Deze activiteiten moeten dan ook worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden, waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zij van invloed konden zijn op (de omvang van) zijn recht op bijstand. Voor de toepassing van de WWB is immers niet alleen relevant of men inkomsten heeft ontvangen maar tevens of men werkzaamheden heeft verricht waar normaliter een beloning tegen over staat en die men daar redelijkerwijs ook voor kan bedingen. Door van die activiteiten aan het College geen melding te doen, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden.

De Raad is voorts van oordeel dat als gevolg van die schending van de inlichtingenverplichting niet meer is vast te stellen, of en zo ja, in welke mate appellant gedurende de periode van 1 januari 2000 tot 1 december 2005 verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Appellant heeft geen deugdelijke boekhouding of anderszins administratie van zijn activiteiten en de daaruit ontvangen inkomsten gevoerd, zodat de omvang van die activiteiten en de hoogte van de inkomsten niet met zekerheid kunnen worden bepaald.

De omstandigheid dat de strafrechter het niet aannemelijk heeft geacht dat appellant in de gehele tenlastegelegde periode geen recht op bijstand had, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers bij de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

Het voorgaande betekent dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant verleende bijstand over de gehele hiervoor genoemde periode in te trekken. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. Meer in het bijzonder ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat de intrekking had moeten worden beperkt tot de maanden waarin transacties met één of meer auto’s hebben plaatsgevonden. In dit verband overweegt de Raad verder nog dat niet is gebleken dat het College eerder dan op basis van het onderzoek van de sociale recherche had kunnen weten dat appellant zich op de hiervoor vastgestelde schaal bezig hield met de handel in auto’s. Van gedogen waaraan appellant rechten zou kunnen ontlenen is dus geen sprake.

Als gevolg van de intrekking is aan appellant over de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 november 2005 ten onrechte bijstand verleend. Het College was derhalve op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de kosten van bijstand over die periode van appellant terug te vorderen. Het College heeft in overeenstemming met zijn, door de Raad niet onredelijk geachte, beleid besloten tot - volledige - terugvordering van appellant. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van het beleid (gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak,

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) R.J. van der Veen.

AR