Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC9554

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
06-6981 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor kosten van kleding, verhuiskosten en schulden bij energiebedrijven. Noodzakelijke kosten van bestaan? Bijzondere omstandigheden? Schuldenlast op zichzelf niet aanmerken als zeer dringende reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6981 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 oktober 2006, 06/811 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. Appellante is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in aanvulling op haar uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

Op 26 oktober 2005 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van kleding en schoenen, verhuiskosten en haar schulden bij de energiebedrijven Essent en Nuon.

Bij besluit van 8 november 2005 heeft het College deze aanvragen afgewezen.

Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 maart 2006 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in hetgeen appellante heeft aangevoerd ten aanzien van de gestelde noodzaak van de verhuizing naar een andere woning onvoldoende grond kan worden gevonden voor het standpunt dat de situatie in de huidige woning voor appellante onhoudbaar is te achten vanwege het feit dat zij zich onveilig voelt. Nu de noodzaak van de verhuizing ook overigens niet is komen vast te staan heeft het College terecht geoordeeld dat er geen sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het College heeft de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor verhuiskosten dan ook terecht afgewezen.

Naar vaste rechtspraak behoren de kosten van kleding en schoeisel tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die door middel van reservering vooraf dan wel gespreide betaling achteraf uit het (bijstands)inkomen dienen te worden voldaan. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden in het individuele geval die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de algemene draagkracht kunnen worden voldaan.

De Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat in het geval van appellante sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten die voor bijstandsverlening in aanmerking komen. Het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen, is niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. Schulden dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan kunnen niet op de WWB worden afgewenteld. De Raad is dan ook van oordeel dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van kleding en schoeisel terecht is afgewezen.

Met betrekking tot de aanvraag om bijzondere bijstand voor de schulden aan Essent en Nuon overweegt de Raad als volgt. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.

Vaststaat dat appellante sinds juni 2004 niet meer onder bewindvoering staat. Appellante kon - in elk geval ten tijde van het besluit op bezwaar - beschikken over een inkomen ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB vormde dan ook een beletsel voor verlening van bijstand voor de schulden bij Nuon en Essent.

In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.

In de gedingstukken en in hetgeen door appellante is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat in haar geval sprake is geweest van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat een (grote en sinds lange tijd bestaande) schuldenlast op zichzelf niet kan worden aangemerkt als een zeer dringende reden.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en R.H.M. Roelofs en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) R.J. van der Veen.

RB